‘Mijn vader is meer dan alleen degene die mij heeft misbruikt’

Ontuchtzaak

Leo B. wordt op straat gegroet, maar bij tennisclubs is hij niet meer welkom. Hoe gaat een gemeenschap om met een gewaardeerde judoleraar die is beschuldigd van seksueel misbruik en ondanks twee veroordelingen blijft ontkennen? En hoe is voor hemzelf en zijn dochters het leven verdergegaan?

Illustratie Sebe Emmelot

Zijn hoekhuis is vanbinnen niet meer wat het geweest is. De kachel staat uit om kosten te besparen, het interieur is zo verwilderd dat de voordeur nauwelijks te bereiken is. De enkeling die zich hier binnen waagt loopt achterom, moet over los slingerende voorwerpen heen stappen en stuit in de woonkamer op stapels boeken die reiken tot in de vensterbank. Grote denkers tussen dichters, bestsellers naast gidsen voor spirituele verlichting. De geranium op de keukentafel lijkt al jaren dood.

Aan deze tafel zit de enige bewoner van dit huis soms urenlang te schrijven. Omringd door stapels nieuwsberichten over hemzelf werkt hij gestaag aan een biografie van een man die zijn rug recht probeert te houden in een gemeenschap die hem verguist. Tot in de gevangenis aan toe. „We pakken je”, stond op de briefjes die onder de celdeur werden geschoven.

Die man is hij zelf. Leo B. Een voormalig judoschoolhouder uit het Gelderse Ruurlo die in 2012 verwikkeld raakte in een misbruikzaak die zich voortsleept tot op de dag van vandaag. Een rechtszaak die zijn leven veranderde en dat van zijn dochters, en die inwoners van Ruurlo zich nog altijd doet afvragen wat die stoere sportleraar toch bezielde om zijn eigen dochter en een voormalig judoleerlinge te misbruiken.

„Ken je deze?” Als hij zijn bezoek is voorgegaan en koffie heeft gezet, houdt B. een boek omhoog. Trial by media, heet het, over het ongewenste effect dat de 24/7 mediacultuur kan hebben op waarheidsvinding en het onschuldbeginsel in de rechtszaal. „Door de hetze en de hoeveelheid aandacht die mijn zaak kreeg, is de onschuldpresumptie teniet gedaan. Er is geen ruimte meer voor nuance, net als in de zaak van Lucia de B. Je kunt je haast niet voorstellen dat ik ook onschuldig zou kunnen zijn.”

De zaak van B. had oud nieuws kunnen zijn, ware het niet dat hij zijn straf blijft aanvechten. Nadat hij begin 2013 werd veroordeeld tot drie jaar cel, waarvan een jaar voorwaardelijk, werd hij eind 2015 ook in hoger beroep schuldig bevonden. Daarna ging hij in cassatie.Na 401 dagen voorlopige hechtenis werd hij in het najaar van 2013 vrijgelaten in afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad, die naar verwachting voor de zomer uitspraak doet. Omdat de zaak al jaren duurt, zou het kunnen dat B. in aanmerking komt voor strafvermindering, maar wanneer alles negatief uitvalt, moet hij nog 329 dagen de cel in.

Vrijwilliger

Sinds zijn vrijlating woont B. weer in zijn oude huis in Ruurlo. Hij leeft van een uitkering en vult zijn dagen met sporten, lezen en vrijwilligerswerk. Hij nam de mantelzorg van zijn moeder op zich, verzorgt de maandelijkse filmavond in het verzorgingstehuis en meldde zich bij de gemeente als vrijwilliger voor hulpbehoevenden.

Hij is, kortom, een betrokken burger. En als het waar is dat wie goed doet, goed ontmoet, zouden veel mensen hem een warm hart kunnen toedragen. Maar in deze situatie ligt dat gevoeliger. Hoe moet een gemeenschap omgaan met een dorpsgenoot die ondanks twee rechterlijke uitspraken blijft ontkennen? Verdient zo iemand een tweede kans? Wat als B. weer judoles wil geven?

In Ruurlo, waar zo’n achtduizend mensen wonen, zijn inwoners niet onbekend met veroordeelden. Van 2006 tot zijn dood in 2009 woonde Ferdi E., de ontvoerder en moordenaar van Gerrit Jan Heijn, hier in de Achterhoek. Aanvankelijk onder een schuilnaam. Toen burgers ontdekten wie hij werkelijk was, ontstond er rumoer. Zijn aanmelding bij de buurtvereniging werd geweigerd, zijn aanwezigheid in het dorp hooguit nog gedoogd.

„Hij had zijn straf uitgezeten, maar toen hij hier verderop verongelukte, vonden maar weinig mensen dat sneu”, zegt de medewerkster van een bloemenwinkel in het dorp. „We accepteren zo iemand. Maar je vergeet niet wat hij heeft gedaan. Dat is ook met Leo. De eerste keer dat ik hem weer zag, dacht ik: hé, woon jij nog gewoon hier? Ik help hem als iedere andere klant, maar telkens denk ik aan zijn dochter. Je zit niet zomaar een jaar vast.”

In deze streek is B. altijd een bekendheid geweest. Voorheen omdat hij in twaalf gemeenten lesgaf aan honderden leerlingen, nu vanwege een zaak waarvan mensen zich liever afzijdig houden. Alleen anoniem willen ze praten over de man die jaren geleden nog hun Prins Carnaval was. „Hij is best een knappe vent”, zegt klant Wilma bij de bakker. „Ik zeg hem meestal gedag. Hier groet iedereen elkaar. Maar erna vraag ik me altijd af hoe hij het heeft kunnen doen.” De bakker: „Het is niet iemand bij wie je op de koffie gaat.”

Een aangetrouwd familielid merkt op dat ze denkt dat haar zwager vlucht of zichzelf wat aandoet als de Hoge Raad het vonnis handhaaft. „Dat is voor iedereen toch beter?” De ouders van een van zijn meest talentvolle judoka’s willen niet meer met hem geassocieerd worden. Toen B. vastzat brachten ze hem nog wel een cd van Tina Turner. „Het is lastig”, verzucht de vrouw. „Ik ben er niet bij geweest, jij ook niet. Maar wij hebben dit afgesloten. Eén ding: hij was een goede trainer.”

Op verzoek van B. brachten ze die dag ook een boek voor hem mee, De kracht van het Nu, van Eckhart Tolle, een Duitse filosoof die zijn volgelingen voorhoudt dat ze er beter aan doen om in het heden te leven, omdat het verleden dikwijls ongewenste ballast is. Mensen als Jim Carrey en Oprah Winfrey omarmden diens visie en ook B. werd een Tolle-adept.

Door de mindfulness die Tolle voorschrijft, werd B. een ander mens. Voordat hij in de gevangenis belandde, strooide hij nooit met citaten van Hannah Arendt, Shakespeare en Luther. „Gelukkig zijn is een vorm van continue training”, zegt B. aan de keukentafel. „Door de kennis die ik heb opgedaan, kan ik omgaan met mensen die mij bijvoorbeeld negeren. Dat is hun recht, zolang ze me maar niet fysiek aanvallen.”

In de hoek van zijn rommelige huiskamer staat een vitrinekast vol trofeeën. Prijzen die herinneren aan het goede leven vóór de slepende rechtszaak. Terwijl hij elke basisschool aandeed om kinderen voor de judosport te interesseren, won zijn beste vrouwelijke judoka Europese kampioenschappen, bekroonde de judobond hem met een gouden districtspeld en bereikte zijn judoschool een omvang van zevenhonderd leerlingen.

In de 29 jaar dat hij zijn school dreef, denkt hij de mat met 300.000 mensen te hebben gedeeld. Zijn credo was positivisme. „De Achterhoek is behoudend. Mijn judoka’s hadden ontzag voor zelfverzekerde tegenstanders uit de Randstad, ook al waren die niet beter. Ik wilde dat behoudende wegnemen.”

Verjaarde getuigenissen

Kerst 2011 verandert alles. Bij het diner weigert zijn oudste dochter nog te zwijgen over wat zich in haar jeugd heeft afgespeeld. Haar vader had haar seksueel misbruikt. Meestal in de ochtend, zo blijkt uit rechtbankdocumentatie, wanneer hij haar wekte en volgens zijn ex-vrouw soms wel drie kwartier wegbleef. Na haar aangifte melden zich meerdere slachtoffers, maar doordat enkele zaken zijn verjaard, blijven er twee aanklachten over: het misbruik van zijn dochter en de ontucht met een oud-judoleerlinge die in 1999 met het gezin van B. op vakantie was; ze was toen 16 jaar oud.

De rechtbank acht hem schuldig. B. zelf blijft ontkennen, zij het in vage bewoordingen. „Mijn waarneming van de waarheid kan verschillen van die van een ander”, is daarvan de voornaamste. B., die volgens psychologen een narcistische persoonlijkheidsstoornis heeft, moet drie jaar de cel in, waarvan een jaar voorwaardelijk. Doordat er zelden andere getuigen zijn dan alleen het slachtoffer leiden zedenzaken lang niet altijd tot een veroordeling, maar in dit geval vond het OM steunbewijs bij de ex-vrouw en zus van B., aan wie hij zijn fouten gedeeltelijk zou hebben bekend.

Wat hij nu zou zeggen tegen mensen die niet twijfelen aan zijn schuld? „U hebt het recht op een mening en dat is door omstandigheden de mening van velen. Ik ben het daar niét mee eens en mijn positie behoort door omstandigheden bij de minderen.”

Veel mensen verbaast het dat hij nog altijd contact heeft met zijn twee dochters. Vorig jaar bezocht hij de bruiloft van zijn oudste op de Antillen, terwijl hij tot voort kort met de jongste heeft getennist. Zijn broers ziet hij ook nog. Meestal individueel. Als er familiefeestjes zijn, wordt het op prijs gesteld als hij niet aanwezig is. De aangetrouwde familie pruimt hem niet.

Vergeven dankzij God

„Mijn vader heeft misschien dingen gedaan die niet kunnen, maar alle goede dingen die hij heeft gedaan worden zo snel vergeten”, zegt zijn jongste dochter, die zo nu en dan bij haar vader langsgaat. Over de zaak praten ze niet. Als bewuste nieuwsmijder wil ze zich liever niet bezighouden met de zaak. „Als zijn cassatieverzoek mislukt, moet hij dan weer de cel in?”, vraagt ze.

Ze wil benadrukken dat haar vader als judoleraar een voorbeeldfunctie had waar hij geen misbruik van had mogen maken. Maar nu gunt ze hem vooral rust. In haar ogen is het oneerlijk dat hij al zo lang moet wachten op een definitief oordeel. „Nu kan hij niks. Mensen als hij worden allemaal over één kam geschoren, maar het is wel mijn vader. En ja, misschien wil ik wel in het ongewisse blijven.”

Haar zus reageert per mail vanuit haar nieuwe woonplaats in het buitenland. Een zorgvuldig opgeschreven brief, waarin ze schrijft hoe haar perspectief op het misbruik met behulp van God is veranderd en dat haar woorden misschien verrassend kunnen overkomen. Ze wilde haar vader vergeven. „Jezus zei aan het kruis: vader, vergeef ze want ze weten niet wat ze doen.”

Uit haar brief: „Hoe kun je haat hebben en toch gelukkig zijn? Ik heb God nodig om mijn vader te vergeven voor wat hij heeft gedaan toen ik twaalf en dertien jaar oud was. Mijn vader is meer dan alleen degene die mij heeft misbruikt, aangeraakt op plekken die ik zelf nog niet eens had ontdekt. Hij is ook degene die mij als klein kind verhaaltjes voorlas en voor wie zijn kinderen alles waren. (…) Verdwaalde mensen doen rare dingen. Moeten ze dan voor altijd dat stempel houden? Als ouders onvoorwaardelijk van hun kinderen houden, waarom zouden ze dan niet vergeven mogen worden wanneer ze slechte dingen doen tegenover hun kinderen? (…) De Bijbel is duidelijk: niemand maar dan ook niemand is heilig.”

Kampioenenhuldiging

Met de jaren nam ook de woede in Ruurlo af. Maar: iemand gedogen blijkt wat anders dan iemand vergeven. Bij meerdere tennisclubs in de omgeving werd B. geweigerd toen hij zich aanmeldde. Net als bij de wijkvereniging. Het is hij of ik, riepen andere leden.

B. kon wel terecht bij een badmintonclub in Eibergen, waar hij een speciale vorm van tennis beoefent. „Hij is een veelbesproken lid, maar de rechter is er om hem te veroordelen, niet wij”, zegt voorzitter Marc Tiellemans, die benadrukt dat B. op zijn club niet met kinderen in contact komt. „Wij behandelen hem als ieder ander lid. Wint hij een prijs, dan geven we dat door aan de lokale krant. Zijn verleden doet niets af aan zijn prestatie.”

Door die successen werd B. al meerdere malen voorgedragen voor de jaarlijkse kampioenenhuldiging van de gemeente Berkelland waar Ruurlo en Eibergen onder vallen. Vergeefs. De burgemeester weigert hem te huldigen. „Wij vinden zijn aanwezigheid ongepast”, zegt burgemeester Joost van Oostrum (VVD) desgevraagd. „Dit besluit doet recht aan onze maatschappelijke taak. Er zijn jeugdleden bij aanwezig.”

Wat als B. straks weer judoles wil geven? Formeel is dat mogelijk. Omdat het misbruik plaatsvond buiten zijn judoschool, legde de rechter hem geen beroepsverbod op. Daarnaast komen veroordeelde zedendelinquenten niet automatisch op de registratielijst van het NOC*NSF te staan, de zogenoemde zwarte lijst. Streeft de judobond naar een levenslange schorsing, dan moet het via de tuchtrechtspraak aantonen dat B. ongeschikt is om les te geven. Een procedure die pas na de definitieve uitspraak kan worden ingezet. Omslachtig, vinden de judobond en NOC*NSF. Wel is B.’s lesbevoegdheid ingetrokken tot het einde van de tuchtzaak.

Wat de zaak ook bemoeilijkt is dat het Openbaar Ministerie sportbonden uit privacyoverwegingen niet informeert over veroordeelde trainers.

„Er is geen week dat ik niet aan deze zaak denk”, zegt Wouter Koeman, vertrouwenspersoon bij Judo Bond Nederland. „Wij voelen ons moreel verplicht om deze zaak te volgen.”

De medewerkster van de bloemenzaak zegt dat ze haar twee kinderen nooit door B. zou laten trainen, ongeacht de afloop van diens cassatiezaak. In de bakkerij zegt buurtbewoner Wilma: „Mensen zullen zich altijd blijven afvragen of er niet nog meer is gebeurd wat we niet weten.”

Aan de overkant van de straat waar B. woont, spuit een overbuurman zijn voortuin schoon. In deze laan, vertelt de man, kijken mensen naar elkaar om. „Als ik voor het huis van de buren een vreemde auto zie parkeren, kijk ik altijd even door het raam. We zijn er voor elkaar.”

Ondanks die saamhorigheid moest hij laatst aan zijn vrouw vragen of B. nog wel in de straat woonde. Niemand heeft nog contact met hem. „Ik heb niks tegen hem, hoor, echt niet, maar je vraagt je toch af hoe hij zoiets heeft kunnen doen. Voor de mensen en voor hemzelf had het beter geweest als hij hier niet meer had gewoond. Voor Leo wordt het nooit meer zoals het was.”

De jongste dochter van B. denkt dat haar vader bij zijn ontkenning handelt uit overlevingsinstinct. „Zou jij niet ontkennen als je anders de cel in moet? Als alles achter de rug is, biedt hij misschien wel zijn excuses aan.”

„Liefde overwint het kwaad”, schrijft zijn oudste dochter. „Ik bid dat mijn vader dit ooit inziet.”

    • Fabian van der Poll