Leven onder Bashar al-Assad

Syrië

Zes jaar geleden begon de opstand tegen de Syrische president Assad. Hoe gaat het nu met de mensen die leven onder zijn regime? NRC reisde door Syrië en sprak met studenten, teruggekeerde vluchtelingen, oppositieleden en trouwe supporters van Assad. „De meeste mensen willen gewoon stabiliteit.”

Door en
Syrische vrouwen nemen foto’s vanuit een trein die voor het eerst in vier jaar door het verwoeste oostelijke deel van Aleppo rijdt. Foto George Ourfalian / AFP

1. De bedrieglijke normaliteit van Damascus

Het management van Beit Zaman, een prachtig boetiekhotel in de oude stad van Damascus, wil zijn enige gasten verwennen. Het copieuze ontbijt wordt vandaag, 7 maart, op het dakterras geserveerd in plaats van op de binnenplaats met zijn klaterende fontein. Het terras biedt uitzicht over de oude stad en over de buitenwijken die nog in handen zijn van de rebellen. Als een overvliegend gevechtsvliegtuig zijn lading lost stijgt een grote rookpluim uit boven de voorstad Harasta. Het keukenpersoneel neemt foto’s; het management informeert of de luchtaanval de ontbijt-ervaring niet heeft bedorven.

Uren later lopen via Twitter de gebruikelijke beelden binnen. De bekende Witte Helmen dragen kinderen weg uit gebouwen in puin. Er zijn twee doden en drie gewonden gevallen.

Twee dagen later volgt de vergelding: bij Bab Touma, om de hoek van het hotel, slaan mortiergranaten in. Niemand raakt gewond. Het is de eerste keer in vier maanden dat dit gebeurt. Een fragiel staakt-het-vuren sinds december, en overgave van de rebellen in verschillende buitenwijken na jaren van belegering – ook wel de ‘kneel or die’-tactiek genoemd – hadden de oude stad buiten bereik van de mortiergranaten geplaatst. Tijdelijk, zo blijkt.

Dit is het verhaal van een journalistiek bezoek aan het regeringsdeel van Syrië. We proberen te weten te komen hoe de bevolking daar (tweederde van het totaal) eraan toe is. Het is zes jaar na het begin van de opstand tegen Bashar al-Assad, en het regeringsleger is dankzij steun van Rusland, Iran en Hezbollah aan de winnende hand.

Eén antwoord is: de mensen leven. Kinderen gaan naar school, volwassenen gaan naar hun werk, ze gaan uit – als ze daar geld voor hebben, want de lonen zijn laag, en de prijzen zijn hoog.

Maar ze leven onder permanente druk. „Nu is het rustig maar straks slaat er misschien een granaat in”, zegt een jonge vrouw in een souvenirwinkel die al jaren geen zaken meer doet. „Je weet het nooit.”

Hoe fragiel de stabiliteit is blijkt wanneer op 11 maart, een dag na ons vertrek, twee zelfmoordterroristen bommen laten afgaan in de oude stad, die het leven kosten van 40 Iraakse shi’itische pelgrims en tientallen anderen. Vier dagen later komen 31 mensen om bij een zelfmoordaanslag bij een gerechtsgebouw. En op 19 maart lanceren rebellen vanuit Jobar, een buitenwijk die zij in handen hebben, een nieuw offensief – het eerste in jaren.

Maar dat is later. Op de dag dat het hotelmanagement ons waarschuwt weg te blijven van Bab Touma, waarschuwt het ook dat er die avond feest is op het dak. Het is donderdag, party-avond in de oude stad. „Het zou wat lawaaierig kunnen worden.”

Het is een verjaardagsfeestje. De hele avond wordt er gedanst op Arabische muziek. Maar de dj sluit af met ‘I Will Survive’ van de Amerikaanse discodiva Gloria Gaynor. Dat is niet alleen het lijflied van feministen maar ook van burgers in oorlogstijd: Gaynor zong het ooit live in Beiroet tijdens de Libanese burgeroorlog.

Sinds een jaar of wat kent de oude stad van Damascus een ware explosie van restaurants en cafés. „Ik was de eerste die een nieuw café begon. Anderen zijn gevolgd”, vertelt Hadeel Massoud, een jonge binnenhuisarchitect. Niet dat er geen cafés waren: het piepkleine Abu Georges is een klassieker. Maar de laatste jaren was het donker geworden in de oude stad, zegt Riad, eigenaar van restaurant Ninar. „De mensen uit rijkere wijken als Mezzeh bleven weg. Het was hier te gevaarlijk. Nu komen ze weer.”

Ze zijn bang dat het hardvochtig overkomt: feesten terwijl kilometers verderop mensen doodgaan. „Maar we hebben dit nodig om te overleven”, zegt Massoud. „En om even te vergeten wat er gebeurt in plaatsen als Jobar.”

2. Naar ‘bevrijd’ Aleppo

De rit van Damascus naar Aleppo duurde vroeger vier uur, nu acht. Vanaf Homs gaat het via Salamiya naar de woestijnweg. Over een afstand van meer dan honderd kilometer loopt die weg door een smalle corridor met links rebellengebied, rechts Islamitische Staat. Om de kilometer of zo bemannen verveelde soldaten versterkte posities. Maar in deze fase van de oorlog is het dus mogelijk om acht uur te rijden door regeringsgebied in Syrië zonder een schot te horen.

Dat is te danken aan de recente successen van het regeringsleger, met name in Aleppo, waar in december de laatste rebellen werden verdreven. Dat was in grote mate te danken aan de steun van Rusland, Iran en shi’itische milities uit Libanon, Irak en Afghanistan.

Rusland loopt het meest in de kijker. In restaurant Cordoba in West-Aleppo drinken Russische soldaten wodka. De eigenaar zet keihard het Russische volkslied op tot de soldaten zelf gebaren dat het wel wat zachter mag. In het voormalige Oost-Aleppo zijn op veel huizen de woorden ‘Mine njet’ gespoten: geen mijnen hier.

De oude stad van Aleppo was voor de oorlog een toeristische trekpleister. De straten waren opnieuw geplaveid met Duits ontwikkelingsgeld. In gerenoveerde paleizen huisden dure boetiekhotels.

Het Carlton, een luxehotel tegenover de Citadel, is weg: opgeblazen door rebellen die een tunnel hadden gegraven tot onder het gebouw. In de Omayyadenmoskee zijn weer – lokale – toeristen. Maar de moskee moet het sinds 2013 doen zonder de minaret uit de elfde eeuw. Er heerst vooral stilte in de oude stad. De wind maakt muziek met los hangend metaal. Hier en daar klinkt getimmer waar handelaars voorzichtig zijn begonnen met reparatiewerkzaamheden.

Hajj Noman Mansour blaakt nochtans van optimisme. De 53-jarige zakenman is op eigen houtje gestart met het herstel van zijn vier winkels in een straatje van de oude stad, zonder op geld van de gemeente te wachten. „Ik ben rijk; een ander heeft dat geld harder nodig dan ik.” De kosten schat hij op 25 miljoen pond, zo’n 50.000 euro.

Dit is de buurt van de groothandels in kleding, van lingerie tot jassen. „Vroeger was het hier heel druk met kooplieden uit alle landen”, wijst Mansour naar de nu uitgestorven straatjes. Hij probeert collega-handelaars te overreden zijn voorbeeld te volgen. Zo komt tenminste in één straat het leven terug. En dan komt het wel goed: „Ik ben een naam hier.”

In de oude stad is geen sympathie voor de opstand tegen het regime. De handelaars vertrokken toen de rebellen in 2012 de oorlog naar Aleppo brachten. De oude stad werd de frontlijn, een niemandsland.

Heel anders was het in wat tot voor kort Oost-Aleppo heette: het stadsdeel dat in handen was van de rebellen maar waar de politieke oppositie ook experimenteerde met een alternatief bestuur. Behalve de grootschalige verwoesting herinnert bijna niets meer daaraan. De straten zijn schoongemaakt, verder lijkt vooral te zijn geïnvesteerd in verf om de rolluiken van winkels over te schilderen met de officiële Syrische vlag: twee sterren in plaats van de drie van de oppositie.

Naar mensen die de revolutie trouw zijn gebleven hoef je hier niet te zoeken, helemaal niet met een ‘oppas’ van het ministerie van Informatie in je kielzog. Zij zijn in december samen met de gewapende groepen naar Idlib vertrokken. Op vergeelde reclame-affiches zijn de gezichten van vrouwen overgeschilderd: bewijs van de aanwezigheid van Al-Qaeda-extremisten.

Van terugkeer van de burgerbevolking is nog maar weinig sprake. Het ontbreekt aan water, elektriciteit, winkels. Halima, Nada en Fatme zijn wel met hun mannen en kinderen teruggekeerd naar het flatgebouw in Qadi Askar dat ze maanden geleden waren ontvlucht. De meubels staan er nog zoals ze er stonden bij hun vertrek. Ze wijzen op vers cement in het plafond: daar was een granaat ingeslagen.

Waarom gingen ze weg? „Er werd hard gevochten en er was nauwelijks eten en water meer beschikbaar. Er was geen babymelk. Iedereen werd ziek.” De rebellen probeerden ze uit de weg te gaan, zeggen ze. Islamitische Staat zat er een paar dagen en vervolgens Jabhat al-Nusra, de Syrische Al-Qaeda. „Die waren minder erg.”

Nu is de misdaad een groot probleem, zegt Samed al-Nasseri, uitbater van sap- en espressobar Al-Nachied – ‘Vitamientje’ – in de wijk Tariq Al Bab. Nasseri, die anderhalve maand eerder terugkeerde, slaapt boven de zaak om dieven te kunnen betrappen. Met zijn turquoise doeken en een interieur dat een grot moet voorstellen, trekt de sapbar aandacht in een omgeving waar verder alleen bomschade te zien valt. De eigenaar heeft tot nu toe 1 miljoen pond (2.000 euro) gespendeerd om de bar op te knappen. In de eerste plaats het grote gat in de achtermuur. De terroristen, zegt Nasseri, gebruikten het als een doorgang.

De 64-jarige Abdel Wahed Binshi zit van de lentezon te genieten in een parkje. Hij is al die tijd in Oost-Aleppo gebleven. Om op het huis te letten, zegt hij. Zijn familie heeft hij weggestuurd toen Jabhat al-Nusra naar zijn zoons kwam vragen. Hij is vijf keer gewond geraakt. Over de gewapende groepen die deze buurt controleerden heeft hij niet veel goeds te zeggen. „Soms vochten ze samen, soms tegen elkaar. Jabhat al-Nusra was het ergste: ze plunderden huizen, stalen je geld, je auto.”

Is er dan niemand in Aleppo die de andere kant niet uitsluitend ziet als terroristen? We vragen het op de universiteit van Aleppo. Hier deden studenten mee aan de opstand tegen Assad. In mei 2012 vielen veiligheidstroepen en ‘shabiha’ (pro-regeringsmilities) de slaapvertrekken binnen. Er vielen vier doden; één student werd van de vijfde verdieping uit het raam gegooid. In 2013 kwamen 82 mensen om bij een beschieting van de campus waarvan beide partijen elkaar de schuld gaven.

Op de prettige, groene campus van de technische faculteit zitten studenten te praten in een openlucht-auditorium. „De situatie is veel beter nu”, zegt Mohamed, tweedejaars. Hij is met zijn familie uit Oost-Aleppo gevlucht toen de oorlog begon. Zijn vader is gaan kijken. „Ons huis is niet al te erg beschadigd. Misschien gaan we in de zomer terug als er weer elektriciteit en water is.”

Zijn vriend Ahmed, vijfdejaars, noemt de westerse berichtgeving over Aleppo „leugens en nepnieuws”. „Ze zeggen dat de oppositie de good guys zijn terwijl het juist terroristen zijn.” Het gesprek wordt even onderbroken door de veiligheidsdienst van de universiteit. „Er zaten wel degelijk goede mensen bij de oppositie”, nuanceert Ahmed daarna. „Mensen die echt verandering wilden om het land te helpen. Maar toen kwamen de terroristen. Na een jaar was voor iedereen duidelijk dat de oppositie de verkeerde kant was.”

3. Uitgestorven Homs

Homs, de twee na grootste stad van Syrië, werd ooit de ‘bakermat van de revolutie’ genoemd: het was de eerste stad waar de oppositie in 2011 voet aan de grond kreeg. Maar het was ook de eerste waar de rebellen het onderspit zouden delven.

Vanaf 2012 moeten zij – onder druk van bombardementen en uithongering – wijk na wijk opgeven. Het is een beproefde tactiek. De rebellen vertrekken telkens met behoud van hun wapens. In Homs was er één wijk overgebleven die zij in handen hadden: Waer. Afgelopen zaterdag is ook daar de evacuatie begonnen: tien- tot vijftienduizend mensen zullen met bussen naar Jarablus worden gebracht, een stad in de provincie Aleppo die nog wel in handen is van de rebellen.

„Dit heeft prioriteit”, zei president Assad recentelijk in een interview met westerse journalisten. „Eerst moet je van de extremisten afkomen. De politieke verzoening, dat is een andere prioriteit.”

Als verzoening echt een prioriteit is, dan zou Baba Amr er een schoolvoorbeeld van moeten zijn. In deze wijk in Homs gaven de rebellen zich al in 2012 over. Maar vijf jaar later staat Baba Amr er nog steeds verlaten bij. Volgens een legerofficier in burger die ons begeleidt zijn zo’n 700 families teruggekeerd – een fractie van de 35.000 mensen die er leefden. De meesten zijn vluchteling in Libanon.

In een uitgeleefde school hebben 22 ontheemde gezinnen uit Homs en andere steden een toevlucht gevonden. Verder woont hier en daar een gezin, te herkennen aan de buiten wapperende was.

Walid Mualak (50) en zijn vrouw Rafat hebben net hun oudste zoon Amr verloren, die in het leger in Dera’a tegen rebellen vocht. Mualak zegt dat het leger de familie heeft getroost en geld heeft gegeven. Ook krijgt elke familie die terugkeert gratis levensmiddelen van de regering. „Alles is beschikbaar voor ons.”

Mualak keerde anderhalf jaar geleden met zijn toen nog drie zoons en twee dochters naar Baba Amr terug. Volgens hem zijn veel mensen al vóór hem teruggegaan, sinds Assad kort na de herovering triomfantelijk de wijk bezocht. Maar die zijn moeilijk te vinden op deze weekenddag waarop de straten vol zouden moeten zijn.

Volgens een rapport van The Syria Institute, een onafhankelijke organisatie in Washington, en het vredesberaad Pax, vindt er demografische manipulatie plaats in Baba Amr en andere wijken van Homs. De oorspronkelijke sunnitische inwoners kunnen niet terugkeren naar deze vroegere oppositiebolwerken, constateren zij. Niet alleen de schade is een barrière, maar ook het voorschrift dat bewoners toestemming moeten vragen aan de politie. Opmerkelijk is, aldus het rapport No Return to Homs, dat de bevolking wel kon terugkeren in Hamidiyeh, een wijk met een christelijke meerderheid.

Elders in Baba Amr woont een grote familie met in totaal 31 kinderen in een klein appartementsgebouw. Ze komen uit de provincie Aleppo, waaruit zij zeven maanden geleden vluchtten voor IS. Ook deze familie heeft ‘martelaars’: één zoon is gedood door IS, een ander is gesneuveld als soldaat in het regeringsleger. We hebben het hier naar onze zin, zegt Omar Haj Ibrahim. „We hebben veiligheid, scholen, klinieken.” Het enige is dat er bijna geen mensen zijn. „Vooral ’s avonds is het akelig leeg. Wij zijn het, mensen uit Aleppo, die nieuw leven brengen in Baba Amr.”

4. Damascus, de officiële oppositie

Anas Joudeh, vertegenwoordiger van de oppositie binnen regeringsgebied, hoort ons relaas over Baba Amr droevig aan. Een gemiste kans, zegt hij in zijn moderne kantoor in een middenklassewijk in Damascus. „Je ziet dat veel mensen in oppositiegebied beginnen te zeggen dat zij de controle van de regering terug willen, zelfs als dat betekent dat ze tweede- of derderangsburgers zullen zijn. Alles is beter dan leven onder gewapende groepen en de bommen van het regime.” Dat is waar verzoening zou kunnen beginnen.

Het probleem, zegt Joudeh, is dat het regime niet weet wat dat is, verzoening. „Kijk naar Hama [het bloedig neerslaan van een opstand van de Moslimbroederschap in 1982, red.]. Het regime heeft toen voor de militaire oplossing gekozen. Veel mensen steunden die keuze. Maar vervolgens is er niets gedaan op sociaal vlak. De rancune bleef sudderen om in 2011 opnieuw los te barsten.”

Nu is het niet anders, stelt econoom Shadi Ahmad die de regering adviseert. „Ik zeg voortdurend tegen de regering dat je de samenleving weer moet opbouwen, maar op dat vlak gebeurt er niets. Hun prioriteit is de veiligheid herstellen en de olievelden heroveren.” Zelf is hij betrokken bij een experiment van VN-organisatie UNDP waarbij sunnieten en christenen in de provincie Homs geld krijgen voor wederopbouw, mits zij samenwerken.

Joudeh voert de Natievormingbeweging aan, voor mensen die zich noch in de oppositie noch in het regime kunnen vinden – al wordt dat laatste niet hardop gezegd. Het Assad-regime heeft altijd een vorm van interne oppositie getolereerd. Soms was dat ‘valse’ oppositie, bedoeld om een schijn van democratie op te houden. In het algemeen kan oppositie alleen overleven als ze bepaalde ‘rode lijnen’ respecteert – geen kritiek uiten op de president, het leger.

Eigenlijk wil Joudeh af van de term oppositie, die bezoedeld is door de associatie met de gewapende groepen. „In 2011 deelden wij de aspiraties van activisten die om verandering vroegen. Maar de fundamentalisten hebben de overhand gekregen. Zij waren beter georganiseerd en hadden bondgenoten in andere landen.”

Toch wil hij niet gezegd hebben dat hij ‘pro-regime’ is. „Niemand in Syrië is dat; mensen zijn anti-oppositie. Toen de rebellen op het toneel verschenen hebben veel mensen besloten dat de regeringskant veiliger was. Dat wil niet zeggen dat zij pro-regime zijn. De meesten willen gewoon stabiliteit; dat is menselijk.”

5. Houden van Bashar

Er zijn mensen die houden van Assad. Abdulnasser Wannous en zijn vriendin Sawsan Zoubi doceren visuele communicatie aan de International University for Science and Technology in Damascus. „Ik hou van Bashar al-Assad”, zegt Zoubi, „maar soms stelt hij mij teleur. Hij zou veel kordater moeten zijn.” Collega Rawia Ojjeh, 30, valt haar bij. „Assad had allang iedereen in Jobar kunnen doden. Maar hij is te barmhartig. Hij geeft mensen kansen die zij niet verdienen. Wij zouden graag hebben dat hij meedogenlozer zou zijn.”

Wannous probeert de toon te verzachten. „Zelfs als zij ons met bommen bestoken, het blijven Syriërs. We moeten straks wel weer samenleven.” Ojjeh corrigeert zich. „Een goede vriend van mij is twee dagen geleden gewond geraakt door een mortiergranaat. Dan zeg je soms dingen die je niet meent.”

Ze zijn een beetje bang van journalisten als wij, zegt zij. „We zien zoveel leugens in de westerse media. Jullie schrijven dat Assad zijn eigen mensen uitmoordt. Maar wij zijn in Damascus en hij moordt ons helemaal niet uit. Zonder Assad zou ik hier niet zitten. Ik zou thuis zitten met een hijab.”

Uiteindelijk zien weinig mensen hoop voor de toekomst, ook aan regeringskant. Zoubi’s dochter schrijft al drie jaar universiteiten in het buitenland aan, zonder succes. De zoon van Wannous studeert in Duitsland; hij heeft een Russisch paspoort. Aan de universiteit van Aleppo zegt een jonge studente, gevraagd naar de toekomst: „Geen toekomst. Zelfs als er wederopbouw komt dan gaat die tijdens mijn leven niet voltooid worden.”

Hadeel Massoud, de binnenhuisarchitect in de oude stad, is verknocht aan haar wijk, maar ook zij probeert al jaren aan een visum te komen – haar ouders vetoden de gevaarlijke reis over de Middellandse Zee. „Ik ga dood hier. Voor jonge mensen als ik is het heel moeilijk om een toekomst te zien in Syrië. Jongens van mijn leeftijd studeren zo lang ze kunnen. Dan moeten ze het leger in. Of gaan naar ze Europa.”

De toekomst van die diaspora is een ander vraagteken. Keren zij ooit terug?

Volgens Anas Joudeh is het regime niet principieel gekant tegen de terugkeer van de vluchtelingen, bijvoorbeeld die uit Libanon naar Homs. Maar hij ziet het niet snel gebeuren. „Het regime ziet hen momenteel als een veiligheidsrisico.” Wie politiek actief was aan de oppositiekant kan het helemaal vergeten. „Dat is het probleem”, zegt Joudeh. „Een gewapende strijder die mensen heeft gedood kan binnen vijf minuten amnestie krijgen als hij de wapens neerlegt. Maar voor politiek activisme is geen amnestie.”

    • Gert Van Langendonck
    • Carolien Roelants