Brieven

Kabinetsformatie

Minderheidsregering? Beter van niet, dat wordt een soort grabbelton

Andreas Kinneging bepleit op de opiniepagina van 21 maart de vorming van een minderheidskabinet. Dan is er meer dualisme en minder de dood in de pot door een vaste Kamermeerderheid. Er komen uiteenlopende compromissen met wisselende meerderheden.

Kortom, een volkomen breuk met onze parlementaire democratie zoals die op grondwettelijke basis historisch is gegroeid.

Daarin krijgt een kabinet in beginsel vier jaar de tijd om het beleid dat voor ogen staat en waarvoor de hoofdrichting door de kiezers is bepaald (dit keer via een opkomst van meer dan 80 procent) in daden, meer bepaald in wetgeving, om te zetten. Om dat te kunnen doen, moet het naar vroegere woorden aan het slot van een kabinetsformatie een kabinet zijn met „voldoende vertrouwen van de volksvertegenwoordiging”. Dus met een meerderheid. Kinneging wil dat nu vervangen door een kunstmatig minderheidskabinet waar in de verkiezingen niemand om heeft gevraagd en dat in het beste geval in staat zou zijn een stoet van compromissen met wisselend Jan, Piet en Klaas tevoorschijn te brengen. Een grabbelton waarop het opschrift ‘samenhangend beleid’ terecht zou ontbreken en dat voor de kiezer één pot nat zou bevestigen.

Het zal er terecht niet van komen.

Na de stembus

Luisterende overheid

De Nederlandse politiek was erg bezig met ‘luisteren naar burgers’, schijnbaar als reactie op politieke onvrede. Maar ‘luisteren’ hoeft niet neer te komen op krampachtig beloven en populistische politiek. Het kan in dialoog. Burgers zoeken vaak erkenning van hun waarden, ervaringen en emoties. Een luisterende overheid is een empathische overheid. Maar empathie is niet genoeg. De Britse hoogleraar Andrew Dobson pleit daarom voor ‘apopathisch’ luisteren. Het tijdelijk parkeren van eigen veronderstellingen en standpunten om even stil te zijn, je open te stellen voor de ander, om die beter te gaan begrijpen. En van daaruit pas te reageren. Dit vraagt om een kwetsbaar opstellen van politici. Dat klinkt risicovol, maar biedt ook ruimte om te laten zien hoe democratische keuzes hebben bijgedragen aan verworvenheden, zonder dat dit afgedaan kan worden als propaganda. En om te laten zien hoe beleid resultaat is van afweging en compromis.

Burgers vragen om het ‘waarmaken’ van beloften, maar ook om openheid over beperkingen. Dialoog kan helpen begrip te creëren over wat wel en niet mogelijk is.

Naturalisatie

Verlenging is onderzocht

De Eerste Kamer bespreekt een wetsvoorstel om de verblijfstermijn voor naturalisatie te verlengen van vijf jaar tot zeven jaar. In NRC van 9 maart werd opgemerkt dat het nooit is onderzocht „wat het eigenlijk uitmaakt hoe lang het duurt tot je Nederlander kunt worden”. Wij hebben dit vraagstuk echter wel onderzocht en de resultaten zijn te vinden in een recente publicatie (Perspectief op het Nederlanderschap, Bevolkingstrends, 2017/01). Ons onderzoek laat zien dat migranten die naturaliseren een hogere kans op betaald werk hebben dan migranten die niet naturaliseren. Maar de meerwaarde van naturalisatie op de arbeidsmarkt neemt af naarmate immigranten later naturaliseren. Mannen die na vijf jaar in Nederland naturaliseren hebben een 24 procent hogere kans op het hebben van betaald werk dan mannen die niet naturaliseren. Onder vrouwen is dat zelfs 36 procent. Na zeven jaar daalt de meerwaarde van naturalisatie tot een 10 procent hogere kans op betaald werk voor zowel mannen als vrouwen. Kortom, het Nederlanderschap helpt op de arbeidsmarkt, maar vooral als het niet te lang duurt alvorens men dit verkrijgt.

    • A.L. de Werker
    • Margit van Wessel
    • Maarten Vink
    • Floris Peters