Opinie

    • Caroline de Gruyter

Enthousiasme over Europa. Het kan

In mei 1990 werd in Zagreb, in wat toen Joegoslavië was, het 35ste Eurovisie Songfestival gehouden. Er was gedoe over de puntentelling. De namen van inbellende hoofdsteden werden verhaspeld. De Spaanse deelnemers liepen vanwege technische mankementen kwaad van het podium. Maar over de winnaar kon geen enkel misverstand bestaan. Het was een Italiaan, Salvatore ‘Toto’ Cotugno. Zijn lied ‘Insieme: 1992’ kreeg de meeste punten. ‘Insieme’ betekent ‘samen’. En 1992 verwees naar het jaar waarin de Europese interne markt zou worden opgericht. Cotugno zong over de verbroedering van Europese naties, over wat voor schitterend project de Europese Unie wel niet was. De mensen vonden het prachtig. Zo was de tijdgeest. De Muur was net gevallen. Grote projecten werden op de rails gezet: de markt, de euro, Schengen. Europa leefde daarnaartoe en blaakte van optimisme. Toto Cotugno was niet de enige die in Zagreb over de Europese eenwording zong. Na hem kwam de Oostenrijkse Simone met een dramatische, meertalige ballade over de hernieuwde vrijheid in Europa. Die inzending heette: ‘Keine Mauer Mehr’.

Het lijkt een eeuwigheid geleden. Je kunt je zoveel geestdrift over Europa bijna niet meer voorstellen. Veel Oostenrijkers pleiten nu voor muren. Sommige Europese regeringsleiders, die dit weekend in Rome vieren dat het eerste echte Europese verdrag zestig jaar geleden daar werd gesloten, trekken intussen een van de basisbeginselen van de interne markt – vrij personenverkeer – in twijfel. Anderen maken er een sport van om een sleutelwoord in dat verdrag van Rome, ‘solidariteit’, uit gezamenlijke verklaringen te schrappen.

Iedereen zit een beetje bij de EU voor zichzelf, lijkt het wel. De kunst is niet meer, zoals in 1957 en 1990, om er samen de schouders onder te zetten en aan een betere toekomst te werken. Nee, nu stop je als land zo weinig mogelijk in de gezamenlijke pot, om te proberen er zo veel mogelijk uit te halen. Francis Fukuyama, die in 1990 betoogde dat de liberale democratie in de laatste rechte lijn naar perfectie zat, gaf laatst in de Neue Zürcher Zeitung toe dat hij zich had vergist. Zelfs Europeanen, zei hij, worden nationalistisch en egocentrisch. „Alleen een grote buitenlands-politieke crisis kan deze trend nog stoppen. Niets anders kan de mensen weer bij elkaar brengen en zover krijgen dat ze weer compromissen sluiten.”

Wat een somberheid zeg. Alsof Europa niets heeft opgeleverd en niets presteert. De hele week al lees je, vanwege de top in Rome, deprimerende artikelen waarin het woord ‘crisis’ centraal staat. Iedereen vertelt wat Brussel allemaal wel of niet moet doen. Kan het zijn dat we lijden aan declinitis? Waarom hoor je nauwelijks wat zestig jaar Europese eenwording aan positiefs heeft opgeleverd? De Duitse bankengroep KfW heeft het laatst op een rij gezet. Sinds Napoleon hebben we het niet meegemaakt: zeventig jaar lang geen oorlog in Europa. Ons bbp is sinds 1958 verdrievoudigd. In de vijftien ‘oude’ EU-landen ligt het nog altijd hoger dan in overige OECD-landen, de club van rijke industrielanden waaronder Noorwegen en Zwitserland. In weinig delen van de wereld is zoveel respect voor mensenrechten als hier.

Karel Schwarzenberg, de Tsjechische oud-minister, werd laatst gevraagd hoe we Europa vlot kunnen trekken. Wat moet Brussel doen? Hij antwoordde: „De oplossing ligt niet in Brussel, maar bij onszelf. In de lidstaten. Als we allemaal wat minder op onze strepen staan en iets flexibeler worden, zul je zien hoeveel dingen er in Europa mogelijk worden die nu niet mogelijk zijn. Zo eenvoudig is het.”

Dank meneer Schwarzenberg, u krijgt douze points.

    • Caroline de Gruyter