Recensie

Wat wil je weten?

‘Verboden vruchten’ is het thema van de Boekenweek, die vandaag begint met het Boekenbal in Amsterdam. Nina Polak schreef naar aanleiding hiervan een kort verhaal.

Illustratie Olivia Ettema

Zelf ben ik nooit een liefhebber geweest van de avocado. Jetta bestelde er jaren geleden een voor me in een trendy restaurant in Montpellier. Er zat een garnalencocktail op de plek waar de pit had moeten zitten. Zij lepelde het groene vlees eruit, vond het een sensuele vrucht, zei ze, terwijl ze vol verwachting naar mij keek. Die blik vond ik aandoenlijk, maar ik vond die avocado een week ding. Ik vond dat hij naar afval smaakte.

Mijn dochter Julia eet ze op brood, in blokjes, aangemaakt met olijfolie. At, moet ik zeggen, want de avocado is verbannen uit haar huishouden. Zij en Duuk hebben er ruzie over gemaakt. Over een avocado, kun je dat geloven? Blijkbaar had hij van een van die milieu-collega’s van hem gehoord dat de avocado slecht is voor het milieu. Het klimaat, moet ik zeggen. Slecht voor het klimaat en slecht voor de Mexicanen. Vraag me maar niet waarom.

Het werd een enorme bekvechterij. Zij vond, en ik geef haar geen ongelijk, dat hij haar zich niet over alles schuldig zou moeten laten voelen. Hij vond het een klein offer om alleen in het weekend een avocado in huis te halen. Dan was het bovendien meer een traktatie, net als brood.

‘Ik eet al bijna geen vet meer, ma. Ik heb avocado nodig voor de omega 3,’ klaagde ze aan de telefoon tegen mij.

Ik antwoordde dat een vrouw van veertig zelf mag weten wat ze eet. Dat vond ze ook wel, maar Duuk kreeg toch zijn zin. Schuldgevoel is voor Julia net een zwerfkatje, als je het binnenlaat wil het niet meer weg. Dat heeft ze al van jongs af aan.

Waar het vandaan komt? Geen idee. We hebben haar het hele kerkgedoe nu juist bespaard. Harald wilde haar voor de zekerheid laten dopen, maar ik wilde zelfs dat niet. Geen sprake van, zei ik, ons meidje gaat zelf leren denken. Hij haalde er zijn schouders bij op, net als toen ik zei dat ik geen kerkelijke uitvaart wilde. Waarschijnlijk voelde hij wel aan dat hij toch eerder zou gaan dan ik.

‘We denken te veel’, verzucht Julia, als ze me op onze vaste woensdagmiddag komt vertellen dat ze een goedaardige tumor ter grootte van een grapefruitpitje in haar hoofd heeft. ‘En we weten godverdomme veel te veel. Het is een ziekte.’

Ik zit versteend in mijn stoel en herhaal voor mijn eigen gemoed wat de dokter tegen haar heeft gezegd: de tumor is voorlopig ongevaarlijk. Ze gaan het goed in de gaten houden. Opereren hoeft echt nog niet.

Julia zit met haar magere lijf in de stoel van Harald met de kat op schoot. Ze heeft een bezorgde trek om haar mond die ik herken van haar vader, streng en teleurgesteld. Streng voor zichzelf, teleurgesteld in alle anderen.

‘Als we die idiote total body scan niet gedaan hadden,’ zegt ze, ‘dan hadden we het misschien wel nooit geweten. Nu zie ik steeds maar het beeld voor me van die grapefruitpit, waar takken uit groeien. Een bonsaiboompje in mijn hoofd. Ik slaap ook erg slecht. Minder dan zeven uur per nacht. En je kent me, ma. Ik heb die acht uur echt nodig. Maar het idee dat Dagmar ineens geen moeder meer zou hebben…’

Zover komt het niet. En die scan hebben ze nu eenmaal gedaan, zeg ik. Dat neemt geen keer. Ik zeg het, maar ik snap er niets van. Samen met Duuk is ze dus naar een privékliniek op de Veluwe gereden. Dagmar bij de oppas, want dan konden ze er meteen een romantisch arrangement aan vastplakken in een spa hotel in de buurt. Het is maar wat je romantisch noemt; voor achthonderd euro per persoon werden ze daar in die kliniek dan in een paar van die röntgentunnels geschoven. En toen zagen de artsen dus die pit. In de Pia Mater, dat is blijkbaar een deel van de hersenen.

‘Wat was het idee achter die scan?’ Julia lacht spottend als ze mijn vraag herhaalt. ‘Ja, dat kun je je afvragen, ma. Bevestiging, zou mijn therapeut zeggen. Bevestiging dat we zo gezond zijn als we leven. Een soort schouderklopje misschien. Je weet toch dat voor Duuk alles een wedstrijd is? Een schone MRI-scan is een oorkonde, een zoveelste bewijs van excellentie.’

Ze vermijdt mijn blik wanneer ze de mindere kanten van Duuk benoemt, ze voelt zich schuldig als ze haar echtgenoot afvalt en zwakt het verwijt meteen af: ‘Maar dat is ook precies waarom ik verliefd op hem ben geworden.’ Alsof het aan Julia ligt dat Duuk een ellendige streber is. ‘Verliefd’ is het magische woord dat ze gebruikt om haar toewijding te rechtvaardigen aan een man die haar kleineert. Het is ook het woord waarmee ze ooit haar afkeuring uitsprak over mijn huwelijk met Harald. Ik was nooit verliefd geweest op paatje, zo luidde het oordeel. Alsof de hele onderneming daarmee een schijnvertoning was.

‘Troost Duuk je wel een beetje?’ vraag ik. ‘Stelt hij je een beetje gerust?’

‘Dat is toch niet aan hem, ma,’ antwoordt ze geïrriteerd, ‘de dokters hebben toch gezegd dat het wel meevalt. Ik wil juist dat alles gewoon doorgaat zoals het was.’ Ze wrijft over het gebarsten leer van de armleuning van Haralds stoel. Aan de rechterkant, daar waar zijn krantenbak stond, is de bekleding helemaal losgekomen. Het ziet er niet uit, maar als ik eraan voel dan denk ik aan zijn grote, droge handen en aan hoe zorgvuldig hij zijn krant opvouwde. Daar word ik rustig van. Toen Dagmar een keer hard trok aan een van die stukken leer werd ik zo boos dat ik er zelf van schrok. Ik moest dat arme, huilende kind op schoot nemen om het gerust te stellen. Oma is een beetje gek. Het ligt niet aan jou.

‘Over twee weken is het zes jaar geleden’, zegt Julia, die nog steeds het leer van Haralds stoel aait. ‘Dagmar heeft een partijtje, maar ik haal haar eerder op zodat ze erbij kan zijn.’

‘Laat haar toch fijn op dat partijtje, Juul,’ zeg ik. ‘Het kind heeft er toch niets aan om een beetje bij zo’n graf te staan klappertanden.’

‘Jij vind het misschien onbelangrijk, maar ik wil haar erbij. Ze heeft het nog steeds bijna dagelijks over opaatje, weet je dat?’ De kat wil van haar schoot springen, maar ze houdt hem vast, drukt hem plat.

Ik knik. Ik ben niet langer bang dat Julia meer van Harald hield dan van mij. Ik weet inmiddels zeker dat het zo is, en ik kan me er iets bij voorstellen. Ik hield ook meer van Harald dan van mezelf.

‘Hoe is het met de knie?’ vraagt ze.

‘Goed,’ zeg ik, ‘de zwelling is geslonken en lopen gaat ook al beter.’ Ik vertel haar niet dat Jetta me hennepolie heeft gegeven tegen de pijn, waarna we buiten onder een deken naar de sterren hebben zitten staren en de slappe lach hebben gekregen.

‘Mooi zo, ma,’ zegt Julia. ‘Zorg alsjeblieft een beetje goed voor jezelf.’ Steunend staat ze op uit Haralds stoel. ‘O, die moeheid. Ik wou dat ik een jaar kon slapen.’

Als ze de deur uit is moet ik huilen. Mijn kindje heeft een grapefruitpit in haar hoofd. Ik kijk in de spiegel naar het ongeloofwaardige gezicht van een oude vrouw met natte wangen en rode ogen.

Laat op de avond komt Jetta langs om me gerust te stellen. Terwijl ze mijn zere kuit masseert zegt ze: ‘het hoeft inderdaad niet ernstig te zijn, zo’n tumor. Zolang ze het in de gaten houden is het goed.’ Dat wist ik al, maar uit Jetta’s mond klinkt het stellig en solide, zoals alles wat Jetta zegt over gezondheid. Ze heeft ervoor geleerd.

Ik begrijp het leven van mijn dochter niet, maar ik zou het wel graag willen begrijpen. Nadat we op Haralds zesde sterfdag zijn graf hebben bezocht, Julia, Dagmar en ik, zet ik een lunch klaar bij mij thuis. Ik heb een avocado gekocht, zodat ze een keer ongezien kan zondigen, maar ze raakt het ding niet aan. De avocado ligt in het midden van de tafel, waar ze hem zeker gezien heeft, maar ze doet alsof hij er niet is.

Dagmar, die niet aan tafel hoeft te zitten van Julia, komt op me af met het mandje met Smurfen, die ik voor haar gespaard heb. Ze wil weten waar de Smurfin is. Als ik zeg dat ik geen idee heb, begint ze te jammeren. Als er geen Smurfin is, wil ze ook niet met de andere Smurfen spelen. En verder is er in dit huis ook niets te doen, concludeert ze, dus stelt ze haar moeder voor de keus: of de iPhone, of naar huis. Julia geeft Dagmar de iPhone, waarop het kind zich in Haralds stoel nestelt en niet meer opkijkt.

Ze heeft veel make-up op, maar ik zie aan Julia dat ze moe is. Ik wil graag weten hoe ze zich voelt over de tumor en of de dokters nog iets gezegd hebben. Om het licht te houden vraag ik: ‘hoe is het met de grapefruitpit?’

‘Wat wil je weten? Die zit nog steeds in mijn hoofd.’ Zegt ze. ‘Ik zal het je wel vertellen als er nieuws is.’ En terwijl ze een tomaat met hummus besmeert zie ik dat ze zich klaarmaakt om een onderwerp aan te snijden waarover ze heeft zitten nadenken. ‘Duuk en ik hebben het over die val van je gehad.’

‘Daar was ik al bang voor,’ zeg ik. Ik had het haar natuurlijk nooit moeten vertellen.

‘We zouden ons er fijner bij voelen als je op den duur ergens zou wonen waar je niet zo alleen was, ma.’ Het lijkte een zachte formulering voor Julia’s doen, ze heeft erop zitten broeden.

‘Ik ben niet alleen,’ zeg ik en ik zie hoe haar mond zich samentrekt als ze stijfjes knikt, alsof ze de waarheid buiten zichzelf wil houden. Als kind kneep ze haar ogen dicht en dekte ze haar oren af wanneer we haar iets vertelden dat haar niet beviel – dat vlees van dieren kwam, dat ze een bril nodig had, dat Harald op zakenreis ging.

Ik heb Julia de naam van Jetta nog nooit horen uitspreken. In een brief die ik nooit verstuurd heb, heb ik wel eens geschreven dat me dat verdriet doet. En ook dat Harald en ik het samen beter hadden dan zij denkt. Net voor ik de brief wilde versturen, bedacht ik me dat het misschien wel een troost is voor Julia, het idee dat haar moeder ook geen excellent huwelijk had.

‘Denk er toch maar eens over na,’ zegt ze, vlak voor ze vertrekken. Alsof ik haar niet net heb verteld dat Jetta goed voor me zorgt. ‘We kennen een mooie plek, waar ze veel aan duurzaamheid doen. Je zou het er fijn vinden, ma.’

Als ze weg zijn moet ik verdomme weer huilen. Dit keer lach ik mijn spiegelbeeld uit. Ik bel Jetta om te zeggen dat ik wil wandelen.

‘Ze is egoïstisch,’ zegt Jetta ineens, als we halverwege ons vaste bospad zijn. ‘Dat kind is hartstikke egoïstisch.’ Ik laat haar hand los, onmiddellijk, en doe een stap bij haar vandaan. Om mijn mond, ik kan het voelen, verschijnt die trek, streng en teleurgesteld.

‘Nu kijk je als Harald,’ zegt Jetta, met een zekere vertedering.

Ik weet het. Het is een familieding.

    • een onzer redacteuren