Opinie

    • Guus Meershoek

Waarheidsvinding wordt steeds lastiger, ook voor de politie

Simpele feiten bestaan nog, maar digitale manipulatie en alternatieve feiten rukken op, schrijft Guus Meershoek in de Politiecolumn. Dreigt na de tunnelvisie een opsporingsbubbel?

Te vaak wordt vergeten dat het krachtigste en meest gehanteerde wapen van de politie het proces-verbaal is. Met de wapenstok kan je iemand opjagen, met het vuurwapen iemand uitschakelen, maar een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal kan iedereen, zelfs de koning, voor jaren achter de tralies doen belanden.

Voorwaarde is wel dat het de juiste informatie bevat en waarheidsgetrouw is. Van alle normen waaraan politieoptreden is gebonden, zoals respect voor de rechten van verdachten en zorg voor de noden van slachtoffers, is waarheidsgetrouw getuigen en verslag leggen daarom wel de belangrijkste. Ons schrikbeeld is nog steeds een machthebber als Pontius Pilatus die onder de verzuchting: ‘Wat is waarheid?’ (Johannes 18:38) welbewust meewerkt aan de veroordeling van een onschuldige.

Trucs

De afgelopen decennia is waarheidsvinding voor de politie complexer geworden. De eerste die dat ondervond, was de Amsterdamse recherchechef Kees Sietsma. Nadat hij in 1975 chef van de Narcoticabrigade was geworden, ontdekte hij dat rechercheurs in hun processen-verbaal de trucs verhulden waarmee drugshandelaren op heterdaad werden betrapt, en dat zij zich daar ongemakkelijk bij voelden. Sietsma hielp hun door aan de rechter een uitspraak te ontlokken hoever rechercheurs in hun verdekte contacten met zulke handelaren mochten gaan (het Tallon-arrest uit 1979) en door de recherche te reorganiseren om in de praktijk aan de nieuwe richtlijn de hand te kunnen houden: naast een leider van het onderzoek kwam een afzonderlijke bewaker van de opsporingsmethoden. Zijn rechercheurs konden hun processen-verbaal weer met een gerust hart naar waarheid opmaken. Het zou overigens nog meer dan tien jaar duren en de wrange ervaring van een IRT-affaire kosten voordat overal in Nederland de bewaking van opsporingsmethoden wettelijk en institutioneel haar beslag had gekregen.

Niet lang daarna kwam aan het licht dat de politiële waarheidsvinding alweer complexer was geworden. Voor die ontdekking zorgden oud-hoofdcommissaris Jan Blaauw die zich vastbeet in de Puttense moordzaak, rechtspsycholoog Peter van Koppen die de eerste veroordeling in de Schiedammer Parkmoord in twijfel trok en Metta de Noo en haar broers die bleven geloven in de onschuld van Lucia de B. Het euvel kreeg de naam tunnelvisie: rechercheurs die zich onder druk van de omstandigheden en geleid door hun jachtinstinct vastbijten in een voor de hand liggende verdachte en tegen hem een zaak opbouwen, ontlastende feiten negerend.

Misslagen

Ditmaal formuleerde de commissie Posthumus (2003) de passende institutionele respons. Niet alleen een Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken (CEAS) die rechterlijke misslagen kan rechtzetten maar vooral het inbouwen van reflectie in de opsporing zelf. De recherche moest in het onderzoek gaan werken met hypotheses en scenario’s en onafhankelijke tegensprekers in het team opnemen. Het Openbaar Ministerie moest reflectiekamers inrichten en bij complexe zaken collega-officieren gelegenheid bieden mee te kijken. Recent onderzoek (Focus in de opsporing, WODC, 2015) leert dat deze remedies nog niet overal en niet duurzaam zijn geïnstitutionaliseerd.

Ondertussen is het de vraag of de politiële waarheidsvinding inmiddels niet nog complexer is geworden. Er wordt meer gevergd van de speurzin. Wie is verantwoordelijk voor de aanrijding door een zelfsturende auto: de inzittende, de eigenaar of de autoproducent? Of heeft een onbekende derde met behulp van de ingebouwde software de controle over het voertuig overgenomen en doelbewust iemand dood laten rijden?

Maar ook meer van het vaststellen van de waarneming. In de opsporing gebruikt men informatietechnologieën die elders zijn ontwikkeld en databestanden die partnerorganisaties hebben opgebouwd. Politiemensen kunnen een met hun smartphone opgenomen filmpje aan een proces-verbaal toevoegen. Welke algoritmen bevatten die technologieën? Wie staat garant voor de waarheid van gecombineerde databestanden? Hoeveel waarheid toont zo’n filmpje? Soms verrichten particuliere organisaties of groepen burgers belangrijk speurwerk in een zaak. Hoe komen die tot hun conclusie?

Maar ook: heeft een derde partij, wellicht de echte dader, niet in de fabricatie van het bewijsmateriaal de hand gehad? Zijn politie en justitie niet ongemerkt met ‘alternatieve feiten’ gevoed? De opsporing, ooit een geïsoleerde eenheid in het politiekorps, is door de digitalisering van het openbaar bestuur steeds meer met de buitenwereld verweven geraakt.

Eer en geweten

Natuurlijk kunnen politiemannen en -vrouwen in veel gevallen de waarheid nog steeds gewoon vinden, zoals zij dit altijd hebben gedaan. Zij zien of horen iets en rapporteren daarover op basis van hun strafvorderlijke kennis en naar eer en geweten in een proces-verbaal. Simpele feiten bestaan nog.

Maar ondertussen dringt ook een andere werkelijkheid zich op. In een groeiend aantal gevallen kan de politie de waarheid niet meer zo simpel achterhalen. Niet dat de waarheid is veranderd. Wij zijn nog steeds benauwd voor geborneerde potentaten die uitroepen: ‘Wat is waarheid?’ Wij voelen scherp aan dat aan het fundament van de samenleving wordt gemorreld als de woordvoerster van de Amerikaanse president spreekt van ‘alternatieve feiten’. Wel dat de manier om tot de waarheid te komen ingewikkelder is geworden. Niet alleen voor burgers maar ook voor de politie. Na de tunnelvisie dreigt daar de opsporingsbubbel. Een prangende vraag is hoe die bedreiging met institutionele ingrepen kan worden gepareerd.

Blogger

Guus Meershoek

Guus Meershoek studeerde politicologie aan de Universiteit van Amsterdam, is lector Politiegeschiedenis aan de Politieacademie en universitair docent Bestuurskunde aan de Universiteit Twente. Hij publiceerde over verleden en heden van de Nederlandse politie.

    • Guus Meershoek