Recensie

Ruimtereiziger Bontecou

De 86-jarige Amerikaanse beeldhouwster Lee Bontecou zoekt in haar werk de onbeheersbare oneindigheid op. Beelden scheren als sterren en satellieten langs elkaar heen.

Lee Bontecou, Zonder Titel (1993, porselein, gaas en draad. 22,4×40,6×20,3cm) Foto Alice de Groot, Gemeentemuseum Den Haag

Diepe, zuigende, zwarte gaten vormen de kern van het oeuvre van de Amerikaanse beeldhouwster Lee Bontecou. Ze maakt ze al sinds het einde van de jaren vijftig, en altijd zijn die lonkende gaten gevat in vreemde, complex gestapelde constructies van metaal en linnen die nog het meest lijken op huisgemaakte ruimtemodellen – met dat zwart als onbeheersbare kern.

Juist in de spanning tussen het grootse en eeuwige en het knullige en huisgemaakte zit een bijzondere kracht die maakt dat je Bontecous beelden meteen herkent als je ze tegenkomt in een museum. Maar daar hangen ze er ook altijd een beetje verloren bij, eenzaam, alsof ze zich met iets te veel succes aan de tijdgeest en de kunstgeschiedenis hebben onttrokken. Maar spannend blijven ze.

Uitstekend idee dus van het Gemeentemuseum Den Haag om een grote solo te wijden aan de eigenzinnige 86-jarige beeldhouwster. Alleen: de expositie doet haar werk geen recht. Lee Bontecou leidt aan een euvel waar het Gemeentemuseum de laatste tijd te vaak last van heeft: de keuze van de kunstenaar is actueel en prikkelend, maar vervolgens wordt er een tentoonstelling mee gemaakt die daar geen recht aan doet: te rommelig, te hapsnap, alsof de curator van dienst de tentoonstelling er even tussendoor moest doen en er ook geen geld beschikbaar was. Bij deze Bontecou-expositie wreekt zich dat vooral doordat er nauwelijks bruiklenen van andere musea zijn te zien (het MoMA, het Stedelijk, het Moderna Museet en het Whitney hebben allemaal geweldige Bontecous). We moeten het bijna helemaal doen met werken uit eigen bezit – voorstudies, tekeningen en beelden die niet zijn verkocht. Geen goed teken.

Lee Bontecou, Zonder Titel (1961), gelast staal, canvas, ijzerdraad, en roet. Foto Gemeentemuseum

Dat is extra ergerlijk omdat de paar grote werken die er wél hangen (waarvan één uit de eigen collectie van het Haags) goed laten zien hoe uniek Bontecou is in haar ambitie en haar dubbelzinnigheid. Neem het grote wandbeeld Zonder titel (1960) uit de collectie van Museum Boijmans – de enige grote bruikleen. Het lijkt op het eerste gezicht nog het meest op een vulkaan die op z’n kant hangt, een donker, dreigend landschap waarin het centrale zwarte gat je meteen naar binnen zuigt. Als je voorzichtig je hoofd voor het gat houdt is het alsof je alle grip op tijd en ruimte verliest (wat de indruk versterkt dat Anish Kapoor voor zijn zwarte gaten verdomd goed naar Bontecou heeft gekeken) – als een zwart gat in het heelal.

Pupil

Maar zet je drie stappen terug, dan zie je ineens dat het beeld evengoed een oog zou kunnen zijn. Het zwarte gat is dan je eigen pupil, diezelfde pupil waardoor je nu Bontecous beeld staat te bekijken – een verwarrende, maar ook roerende verdubbeling. Want Bontecou roept hier een prachtig beeld op: je pupillen als poorten naar je hersenen én naar het heelal. En, misschien wel iets verontrustender: het besef dat je als toeschouwer alle informatie die door die poort naar binnen komt slechts met moeite kunt beheersen, dat die informatie in je hoofd net zo onbeheersbaar rondzweeft als materie in een ruimtelijk zwart gat.

Maar het mooie is: je hoeft dat maar even te beseffen om meteen heel veel ruimte in je hoofd te voelen. Een wonderlijke, niet onplezierige, zelfs een beetje trippy ervaring: Bontecou brengt het grootste en het kleinste in een beeld bij elkaar en laat ze in een vloeiende beweging in elkaar overlopen. Bijzonder, als een kunstwerk dat soort effecten kan bereiken.

Ineens snap je ook waar dit oeuvre over gaat: Bontecou is een soort ruimtereiziger die in haar schijnbaar gammele scheepjes van linnen en staaldraad moeiteloos de oversteek maakt van het grootste naar het kleinste universum – en weer terug. En op het moment dat je dat beseft wordt de rest van de tentoonstelling, die vooral bestaat uit tekeningen en voorstudies, alsnog de moeite waard.

Zandbak

Bontecous werk mag dan redelijk uniek zijn, het past wel degelijk in een traditie: die van kunstenaars variërend van Tatlin tot Constant, die in hun oeuvre de ruimte, het heelal, de onbeheersbare oneindigheid opzoeken.

Lee, Bontecou, Zonder Titel (Sandbox), 2015-2017. Rechts in detail.
Foto Gemeentemuseum

Dat maakt The Sandbox, het laatste werk op Bontecous tentoonstelling, ook zo fascinerend: een grote, bijna zaalvullende ‘zandbak’, waarin (en waarboven) tientallen beelden hangen, staan en liggen, uit allerlei fases van Bontecous carrière. Door het zand en het licht word je even op het verkeerde been gezet, maar dan besef je: dit is gewoon Bontecous universum waarin al haar beelden als sterren, manen, planeten, satellieten en rondslingerend ruimteafval langs elkaar heen scheren.

Een universum waarin skeletten op ruimteschepen lijken en mensen, dieren en machines allemaal op dezelfde manier aan dezelfde eeuwige onzekerheid zijn blootgesteld. Dat is het lastige: na The Sandbox, en na al die tekeningen en schetsen en voorstellen, ben je helemaal klaar voor het echte werk, de grote beelden, maar die ontbreken hier dus bijna volledig.

De tentoonstelling Lee Bontecou is als een raket die met veel vertoon van vuur en lawaai opstijgt om vervolgens te vroeg en met een hoop gepruttel weer ter aarde te storten. Jammer.

    • Hans den Hartog Jager