Opinie

Posters Erdogan weghalen was in strijd met het recht

De burgemeester van Rotterdam had posters van Erdogan niet mogen laten verwijderen, schrijft J. G. Brouwer. Daarmee werd een mening geuit.

Foto ANP / MediaTV

Deze week liet de Rotterdamse burgemeester posters verwijderen met hierop levensgrote afbeeldingen van de Turkse president. Erdogan die een duim opsteekt, Erdogan geflankeerd door Ottomaanse strijders, Erdogan met Poetin.

Ze bedekten afgelopen weekend de etalageruiten van een gesloten gokkantoor in de wijk Feijenoord. De burgemeester vreesde voor verstoring van de openbare orde.

Goed voorbeeld doet goed volgen, dacht ook de burgemeester van Leerdam. Hij verbood het ophangen van Erdogan-posters en kondigde aan ze in beslag te nemen, zo gauw hij er een zou waarnemen.

Het grondwettelijk verbod van censuur is echter absoluut en onverbiddelijk: niemand heeft voorafgaand verlof nodig voor het openbaren van gevoelens en gedachten.

Niet voor het eerst

Dat de Rotterdamse burgemeester de vrijheid van meningsuiting beknot met als grond vrees voor verstoring van de openbare orde is niet voor het eerst. Vorige week stelde hij met hetzelfde argument – ten onrechte – vooraf inhoudelijke eisen aan tijdens een betoging mee te voeren spandoeken in de Maasstad.

Ook achteraf mogen gemeentelijke instanties zich niet inlaten met de inhoud van een boodschap. De hoogste wetgever bepaalt de grenzen van de uitingsvrijheid. Als die volgens de officier van justitie worden overschreden, is het aan de strafrechter hierover te oordelen. Aan de burgemeester komt in deze een taak noch bevoegdheid toe.

In het geval van de Erdogan-posters gaat het overigens niet om strafbare uitingen. Dat is ook niet de reden dat de burgemeester ze in beslag neemt. Hij vreest voor het effect van het openbaren van de posters. De posters veroorzaken maatschappelijke onrust die mogelijk ongeregeldheden met zich brengen.

Maar zelfs dan is verwijdering van de posters de burgemeester niet toegestaan volgens ons recht. En dat is begrijpelijk. Vrees voor verstoring is wereldwijd waarschijnlijk het meest in de strijd geworpen argument om basisvrijheden te beknotten. Steeds vaker doen ook onze eigen bestuurders een beroep op dit argument. Werd hiermee niet ook de Turkse minister van Buitenlandse Zaken de voet dwars gezet toen hij vorige week wilde komen spreken?

Met een beroep op het begrip ‘vrees voor verstoring van de openbare orde’ kan een burgemeester de vrijheid van meningsuiting echter niet beperken. Zoals gezegd, kan hij zelfs strafbare uitingen niet voorkomen. Laat staan boodschappen die geen strafbare, maar de overheid onwelgevallige meningen bevatten. En evenmin posters van de Turkse president die hem doen vrezen dat hieruit relletjes of onlusten voortvloeien. Dat tussenstapje zou het te makkelijk maken om de vrijheid van meningsuiting, waaronder ook de persvrijheid, te breidelen.

De Raad van State besliste dit vorig jaar nog weer eens in niet voor tweeërlei uitleg vatbare bewoordingen in een uitspraak rond Sinterklaas. Het is een burgemeester niet toegestaan om in een evenementenvergunning voorschriften te geven over het uiterlijk van Zwarte Piet. Het kiezen van Piets uiterlijk valt onder de vrijheid van het openbaren van gedachten en gevoelens.

Vrees voor verstoring van de openbare orde rechtvaardigt beperkende voorschriften, maar niet als het om vrees voor verstoring van de openbare orde gaat door het openbaren van een mening. Dan is er voor de burgemeester geen enkele ruimte.

Overheid moet eigen spelregels respecteren

Naast het censuurverbod en de te ruime uitleg van het begrip vrees voor verstoring van de openbare orde is er nog een derde reden waarom een handelwijze als die van de Rotterdamse burgemeester in strijd is met ons recht.

De burgemeester is het hoofd van de politie als het gaat om de handhaving van de openbare orde in een gemeente. In dat kader heeft de burgemeester aan politieagenten opdracht gegeven de Erdogan-posters in beslag te nemen. Het openbare-orderecht bevat echter geen bevoegdheid om spullen in beslag te nemen. Het optreden van de politie heeft dus geen wettelijke grondslag.

Wel bestaat zo’n bevoegdheid in het strafprocesrecht. Maar die kan door de politie slechts worden ingeroepen als zij onder de verantwoordelijkheid van de officier van justitie opereert. Dat was in de Rotterdamse zaak niet aan de orde. Het ging immers niet om strafbare uitingen.

Het is gevaarlijk als een overheid zich niet aan het door haar zelf gecreëerde recht houdt. De essentie van een rechtsstaat is nu juist dat de overheid deze spelregels respecteert. Dan heeft zij immers recht van spreken tegenover haar burgers.

Dit dient daarom ook het leidende principe van burgemeesters te zijn. De ontwikkelingen in Turkije laten zien hoe een staat in sneltreinvaart kan afglijden als dit uitgangspunt niet serieus wordt genomen.