Herman Koch: ‘Mijn moeder zette me op het spoor van de popmuziek’

Koch en muziek

Omdat muziek een belangrijke rol op de achtergrond speelt in het werk van Herman Koch, de schrijver van het Boekenweekgeschenk 2017, een gesprek met hem op basis van zeven liedjes. Van Franse chansons tot nederhop. ‘The Stones ga je niet verloochenen.’

De meeste muziek hoort Herman Koch in de auto. Dat treft, want daar zal hij als auteur van het Boekenweekgeschenk de komende week vaak in zitten: „Als je ja zegt tegen zoiets, dan moet je er ook helemaal voor gaan, en alles doen wat ze bedenken.”

Muziek speelt een belangrijke rol op de achtergrond in het werk van Koch (1953), reden om het eens over zijn muzikale invloeden en achtergronden te hebben. Ik heb wat liedjes meegenomen, en in de loop van het gesprek pakt Koch ook zijn telefoon erbij om liedjes van zijn playlist te laten horen. Hij luistert graag naar Americana, hiphop, nederhop („die straattaal – het is goed dat je niet alles kan verstaan”), jaren zestig-rock-’n-roll, en soms een fijn “mislukt zomerhitje”. Een portret in zeven liedjes.

The Roots: Now or never (2010)

„Ja, dit is goed. Heel erg goed. Een lekkere combinatie van hiphop met elektrische gitaren en een echt drumstel. Dit is tenminste gewoon een bandje. Maar hoe kom je er nou bij om dat te laten horen?”

Heel even is het Koch ontschoten dat de hoofdpersoon van zijn net verschenen Boekenweekgeschenk juist dit liedje draait om de speakers in zijn auto te testen. Het blijkt een „ongeveer autobiografische” scène te zijn in Makkelijk leven. Het boek vertelt het verhaal over een wereldwijd succesvolle schrijver van zelfhulpboeken, die dankzij een ontspannen kijk op hoe je moet leven (‘Probeer niemand te veranderen. Ook jezelf niet’) miljoenen exemplaren verkoopt.

Een van de eerste dingen die hoofdpersoon Tom Sanders doet wanneer het geld binnenkomt, is een nieuwe auto kopen, een Jaguar XF, met ‘het geluidssysteem van Bower & Wilkins… het beste in een auto ingebouwd geluidssysteem ever.’

Koch: „Ik heb zelf ook wel eens zo’n dure auto gekocht toen dat eenmaal kon, en dan is dit het soort muziek dat je het eerst gaat beluisteren, omdat die zo’n lekkere diepe bas heeft. Je weet dan meteen of je geluidsinstallatie goed is. En die moet goed zijn, want het is de plek waar ik misschien wel het meest naar muziek luister: in de auto.”

R.E.M.: It’s the End of the World as We Know It (and I Feel Fine) (1987)

Met die nieuwe auto begint Makkelijk leven, en vanaf dat moment wordt het leven van de successchrijver steeds minder makkelijk. Een van zijn zonen misdraagt zich, en Sanders zoekt in zijn eigen zelfhulp-theorie naar de manier om daarmee om te gaan. Met merkbaar plezier schrijft Koch zijn struikelende hoofdpersoon naar de ondergang.

„Nou ja, óndergang… Het is nu ook weer niet zo dat hij helemaal ten onder gaat. Maar ik mik inderdaad wel op het effect dat je als lezer wilt oproepen: doe dat nou niet! Ik vind dat een leuke werkwijze. Iemand die denkt dat hij het goed doet, en het ook echt goed bedoelt, en je ziet gewoon: dit gaat niet werken. En dat terwijl de adviezen die hij geeft helemaal niet zo slecht zijn. Dat kan ik eerlijk zeggen: die tips zouden ook mijn tips kunnen zijn: Ga niet meteen de confrontatie aan. Zodra je ruzie maakt, gebeuren er dingen die je niet meer terug kan draaien. Dan kan je beter even wachten. Ik dacht: het is flauw als ik een satire ga maken op zelfhulpboeken, en dat het dan ook nog een heel domme filosofie is. Het moest juist iemand zijn die goed in het leven staat.”

France Gall: Laissez tomber les filles (1964)

„Mijn ouders hadden veel 78-toerenplaten met Franse chansons: Yves Montand, Juliette Gréco: het waren in elk geval altijd liedjes. Dat is een belangrijke invloed geweest. Ik ben zelf begonnen met Johnny Hallyday – in 1963, toen ik een jaar of negen was. Mijn eerste singeltje was van hem: ‘Elle est terrible’, nog steeds een goed nummer. Toen ben ik met mijn moeder naar die film van hem gegaan: Pour moi la vie va commencer. Daarna gaf ik bijna al mijn zakgeld uit aan singeltjes. Chubby Checker, Cliff Richard, Joey Dee and the Starlighters, ken je dat? Elvis niet, dat was net voor mijn tijd.

„Toen ik voor de zoveelste keer met een plaatje van Joey Dee thuiskwam, zei mijn moeder: ‘Alweer? Ik heb net iets gelezen over vier jongens uit Liverpool en dat schijnt het helemaal te zijn.’ Toen heb ik ‘I Want to Hold Your Hand’ gekocht: het was meteen raak. Chubby Checker en Cliff Richard, dat kwam wel in de buurt, maar dit wás het gewoon. Het eerste album dat ik kocht was Help! van The Beatles, en daarna kocht ik eigenlijk nooit meer singeltjes. Maar dankzij die hele modernisering ben ik de laatste tijd weer meer een liedjes- luisteraar geworden.”

The Pretty Things: I Can Never Say (1965)

Het volgende liedje is er een van Kochs playlist. „Vrij snel na The Beatles hoorde ik voor het eerst The Stones. En dat vond ik eigenlijk nog beter. The Beatles waren ook geschikt voor moeders, het waren eigenlijk vier lieve nette jongens. Die Stones waren een beetje vies. Er was een vriendinnetje op school, met wie ik liep, en die zei dat ze het ging uitmaken als ik bleef volhouden dat The Stones goed waren. Nu ja, dat was duidelijk. Meisjes snappen niks van muziek en The Stones ga je niet verloochenen.

„De volgende stap was ‘The Pretty Things’, nóg wat smeriger. ‘I Can Never Say’ is een heel simpel nummer, dat draaide ik voor mijn oppassers, steeds weer, tot ze er gek van werden. Dat is een moment dat ik me goed herinner, dat ik het echt kwijt moest: ‘Moet je nóu horen, dit is echt te gek!’ Studenten waren dat, die babysitters. De ene heette trouwens Kerstens en de andere Van Binsbergen.

„Het was dus mijn moeder die me op het spoor van popmuziek zette. Gelukkig begreep mijn vader niks van muziek, dus die had ik dan wel te pakken. Mijn moeder snapte dat The Stones goed waren. The Pretty Things vind ik ook nog steeds goed. En dat geldt zeker niet voor alles wat ik op mijn elfde mooi vond.

„In de jaren zeventig werd popmuziek almaar vervelender. Dankzij een paar goeie vrienden ging ik steeds meer naar jazz luisteren. Ooit was ik met mijn zusje in New York, toen liepen we langs een kelder en hoorden we interessant gerommel: bleek Miles Davis daar te spelen. Het was veel te duur om naar binnen te gaan, maar je hoorde wél wat… Dat is meer ‘het concert in New York dat ik op mijn vijftiende níet gezien heb’.”

Ilse DeLange: Blue Bittersweet (2013)

Mijn beurt weer. Ik vertel hem dat dit liedje is gemaakt voor de Nederlandse verfilming van Het diner uit 2013. „Ach, Ilse DeLange, ja natuurlijk. Ik heb die film anderhalf keer gezien en ik zou het echt niet meer geweten hebben. Echt leuk is het uiteindelijk niet, zo’n verfilming, al was deze wel beter dan de Amerikaanse versie. Wat ik veel leuker vind, dat zijn vertalingen, boeken met een andere kaft die zich dan verspreiden. Een film is altijd een bewerking, dus dan zit je er op twee manieren naar te kijken: ik kén het verhaal al, en het is moeilijk om niet te kritisch te kijken naar wat ze ermee gedaan hebben.”

Dire Straits: Sultans of Swing (1978)

„Ja, dit is glad, en er zijn eigenlijk te veel mensen die het goed vinden, maar dit blijf ik toch ook een goed nummer vinden. Je wilt er eigenlijk niet mee geassocieerd worden, maar er is niks aan te doen. Ik heb het in een playlist gezet toen ik bezig was aan Geachte heer M. Daar moesten niet per se de beste nummers op staan, maar wel liedjes die iets met mij – positief of negatief – emotioneel hebben gedaan. In de zomer van 1978 woonde ik op een klein kamertje en toen hoorde ik voor het eerst dat nummer vanuit mijn raam. En ik dacht: Jézus wat is dat goed. Het heeft nog heel lang geduurd voordat ik erachter was wat het precies was. Maar ik wist wel: dit wil ik nóg een keer horen.

„Wat ik soms doe is muziek uitzoeken die past bij wat ik wil schrijven. Soms moet het sentimenteel zijn, soms hard of ritmisch: de Sex Pistols bijvoorbeeld. Als een soort dubbele espresso voor het werk. Daar word je een beetje agressief van, en dat kan je soms nodig hebben. Nu zoek ik voor het schrijven vaak de stilte op. Doorlezen doe ik nog steeds graag met muziek op de koptelefoon.”

Steve Earle: Poison Lovers (1997)

Dit liedje staat in drie versies op de playlist die Koch zowel bij het schrijven als in de auto gebruikt. Thematisch hoeven we daar niets achter te zoeken. „Ik ben niet zo’n tekst-luisteraar, het gaat me echt om de muziek.” Maar de verleiding is groot: ‘nothing ventured, nothing lost, you can’t say we didn’t try’ – dat is iets wat menig Koch-personage zou kunnen zeggen, na alweer een dappere, maar mislukte poging. De muziek is stevig, open, toegankelijk maar wel nét wat geraffineerder dan pakweg Bruce Springsteen. Earle staat bovendien in de traditie van muzikanten die niet de makkelijkste weg kozen. „Hij is bijna ten onder gegaan aan de heroïne, maar hij is teruggekomen. En ik vind het wel aardig als musici ergens voor staan in hun werk. Liever niet op de Bono-manier, maar wel vanuit het idee: ik heb overal schijt aan, ik hoef niet in het establishment opgenomen te worden. Zoals The Rolling Stones ergens niet binnen gelaten werden, overkwam dat de Sex Pistols ook, net als Steve Earle. Dat buitenstaanderschap, dat blijft natuurlijk bij goeie muziek horen.”

Lees ook onze recensie van het Boekenweekgeschenk: Stel, je zoon is een vrouwenmepper

Een playlist met alle nummers:

    • Bertram Mourits