Recensie

Gordon Matta-Clark: kunstenaar en vandaal

De Amerikaanse kunstenaar Gordon Matta-Clark zaagde huizen doormidden. Wat rest van zijn kleine oeuvre zijn foto’s en films.

Matta-Clark voor zijn restaurant FOOD Collectie Harold Berg, Barcelona

Wat moet het New York van de late jaren zestig en de vroege jaren zeventig een heerlijk bruisende plek geweest zijn. Andy Warhol had er zijn Factory, waar muzikanten als Lou Reed, Mick Jagger en Bob Dylan rondhingen. In de legendarische nachtclub Max’s Kansas City troffen kunstenaars als Richard Serra, Walter De Maria en Donald Judd elkaar en Warhols kleurrijke entourage. The Velvet Underground trad er regelmatig op. De scene was klein. Iedereen leek elkaar te kennen.

Tussen 1971 en 1974 was er nóg een belangrijke ontmoetingsplaats voor bohémiens. In de New Yorkse wijk SoHo was de Amerikaanse kunstenaar Gordon Matta-Clark in een voormalige tapasbar een culinair kunstproject begonnen dat hij FOOD noemde. Het was geen chic restaurant, meer een veredelde gaarkeuken waar gekookt werd met behulp van gasflessen. Kunstenaars als John Cage, Robert Rauschenberg en Trisha Brown voerden er hun favoriete recepten uit, Philip Glass en Andy Warhol deden er soms de afwas. In het gastenboek zijn de namen te vinden van zo’n beetje alle New Yorkse avant-gardisten uit die tijd, onder wie John Lennon en Yoko Ono, Sol LeWitt, Hans Haacke en Robert Smithson.

Nu is die legendarische kunstenaarskeuken nagebouwd in het koetshuis van Kasteel Wijlre, als onderdeel van een kleine tentoonstelling over Gordon Matta-Clark. Aan de muur hangen de kunstenaarsrecepten („zorg dat de temperatuur hoog genoeg is om alle bacteriën te doden”) en de pagina’s uit het gastenboek. Op gezette dagen wordt er gekookt op eenzelfde soort campingset met gasflessen.

Legende

De op 35-jarige leeftijd aan kanker overleden Matta-Clark (1943-1978) is een legende onder kunstenaars, maar geen naam die bekend is bij het grote publiek. De laatste keer dat er in Nederland een expositie aan hem werd gewijd, was in 1989, in het Stedelijk. In de Nederlandse musea is nauwelijks werk van hem te vinden. Voor deze zorgvuldig samengestelde tentoonstelling in het kunstpaviljoen van Kasteel Wijlre leende curator Hilde Teerlinck dan ook louter werken uit privéverzamelingen. De tekeningen, foto’s, collages en films zullen voor velen een eerste kennismaking zijn met zijn oeuvre.

Matta-Clark, zoon van de Chileense surrealist Roberto Matta, was opgeleid als architect maar heeft nooit iets gebouwd. Hij zag gebouwen eerder als een materiaal waarmee hij kon beeldhouwen. Oude slooppanden gaf hij een laatste functie als kunstwerk door ze doormidden te zagen (‘Splittings’) of er gaten in aan te brengen en zo het daglicht binnen te laten (‘Cuttings’). Al die ingrepen waren tijdelijk; uiteindelijk werden de gebouwen toch gesloopt. Wat rest van zijn oeuvre zijn dus de schetsen en de documentaire foto’s. Al stelde hij ook wel uitgezaagde stukken vloer of muur tentoon in galeries.

Veel geld om kunst te maken had Matta-Clark niet. Hij zag zichzelf als een alchimist, als iemand die afval kon omtoveren in kunst. Zo gebruikte hij autowrakken om onder de Brooklyn Bridge schuilplaatsen voor daklozen te creëren (Jacks, 1971). Veel van zijn ingrepen hadden een sociaal-maatschappelijke boodschap. Toen hij door een New Yorks architectuurinstituut werd uitgenodigd om een bijdrage te leveren aan een tentoonstelling, schoot hij met een luchtbuks de ramen van de instelling aan diggelen (Window Blowout, 1976). Zo wilde hij aandacht vragen voor de falende modernistische architectuur van de ‘housing projects’ in de Bronx. Matta-Clark was iemand die opereerde op de grens van kunst, vandalisme en activisme. Zelf noemde hij wat hij maakte ‘Anarchitectuur’: een anarchistische vorm van stedenbouw.

Gordon Matta-Clark zaagde huizen doormidden en maakte daar foto’s van. Splitting (322 Humphry Street, Englewood, New Jersey), 1974. Foto Collection Lambert, Avignon

Nadat in 1976 zijn tweelingbroer Batan zelfmoord had gepleegd door uit het raam van Matta-Clarks atelier te springen, verliet de kunstenaar New York en zocht hij zijn heil in Europa. In de Parijse galerie van Yvon Lambert maakte Matta-Clark het werk Descending steps for Batan (1976), waarbij hij een diep gat groef in de vloer . In de vier weken dat zijn tentoonstelling duurde, groef de kunstenaar steeds verder aan zijn onderaardse gang en creëerde zo een twaalf meter diep monument voor zijn overleden broer – een ode in de vorm van een graf.

Maansikkels

In Antwerpen ging hij op uitnodiging van de Vlaamse curator Flor Bex aan de slag in een leegstaand pand in de binnenstad (Office Baroque, 1977). Uit de vloeren en plafonds sneed hij cirkels en maansikkels en maakte zo een duizelingwekkende kijkdoos van het gebouw. Als een archeoloog groef hij door de lagen behang, verf en gips heen en legde zo de geschiedenis van het pand bloot.

Toen hij in 1978 na een kort ziekbed aan pancreaskanker overleed, was Office Baroque het enige gebouw van Matta-Clark dat nog overeind stond. In een poging het kunstwerk te behouden, richtte Flor Bex de Stichting Gordon Matta-Clark op. Honderden kunstenaars, onder wie grootheden als Robert Rauschenberg, Jim Dine en Sol LeWitt, doneerden werk om met de opbrengst daarvan het pand aan te kunnen kopen. Maar voordat de kunst geveild kon worden, slingerde de eigenaar, een projectontwikkelaar, er in 1980 de sloopkogel doorheen. Bex stelde voor om de kunstwerken, 150 in totaal, terug te geven aan de makers. Maar die zeiden: hou ze maar, en gebruik ze om er een museum mee op te richten.

Dat museum werd het MuhKA. Indirect heeft Matta-Clark dus toch nog iets tastbaars achtergelaten: een museum voor hedendaagse kunst. De eerste tentoonstelling, in 1987, was – uiteraard – gewijd aan het avontuurlijk oeuvre van Gordon Matta-Clark.