Reis door Syrië

Zes jaar geleden begon de opstand tegen de Syrische president Assad. Hoe gaat het nu met de mensen die leven onder zijn regime? NRC sprak met studenten, teruggekeerde vluchtelingen, oppositieleden en trouwe supporters van Assad. „De meeste mensen willen gewoon stabiliteit.”

Leven onder Bashar al-Assad

Reis door Syrië. Zes jaar geleden begon de opstand tegen de Syrische president Assad. Hoe gaat het nu met de mensen die leven onder zijn regime? NRC sprak met studenten, teruggekeerde vluchtelingen, oppositieleden en trouwe supporters van Assad. „De meeste mensen willen gewoon stabiliteit.”

1. De bedrieglijke normaliteit van Damascus

Het management van Beit Zaman, een prachtig boetiekhotel in de oude stad van Damascus, wil zijn enige gasten verwennen. Het copieuze ontbijt wordt vandaag 7 maart op het dakterras geserveerd in plaats van op de binnenplaats met zijn sinaasappelboom en klaterende fontein. Het terras biedt uitzicht over de oude stad maar ook over de buitenwijken die nog in handen zijn van de rebellen. Wanneer een overvliegend gevechtsvliegtuig zijn lading lost stijgt een grote rookpluim uit boven de voorstad Harasta. Het keukenpersoneel neemt foto’s; het management informeert of de luchtaanval de ontbijt-ervaring niet heeft bedorven.

Uren later lopen via Twitter de gebruikelijke beelden binnen uit Harasta. De bekende Witte Helmen dragen kinderen weg uit gebouwen in puin. Er zijn twee doden en drie gewonden gevallen.

Twee dagen later volgt de vergelding: nabij Bab Touma, om de hoek van het hotel, slaan mortiergranaten in. Niemand raakt gewond. Het is de eerste keer in vier maanden dat dit gebeurt. Een fragiel staakt-het-vuren sinds december, en overgave van de rebellen in verschillende buitenwijken na jaren van belegering – ook wel de ‘kneel or die’-tactiek genoemd – hadden de oude stad buiten het bereik van de mortiergranaten geplaatst. Tijdelijk, zo blijkt.

Dit is het verhaal van een journalistiek bezoek aan het regeringsdeel van Syrië. We proberen een antwoord te vinden op de vraag hoe het deel van de bevolking (twee derde) eraan toe is dat in Syrisch regeringsgebied leeft. Het is zes jaar sinds het begin van de opstand tegen Bashar al-Assad, en het regeringsleger is dankzij de steun van Rusland, Iran en Hezbollah aan de winnende hand.

Eén antwoord is: ze leven. Kinderen gaan naar school, mensen gaan naar hun werk, ze gaan uit – als ze daar geld voor hebben, want de lonen zijn laag, en de prijzen zijn hoog.


Maar tegelijk leven ze onder permanente druk. „Vandaag is het hier kalm maar straks slaat er misschien een granaat in”, zegt een jonge vrouw in een toeristenwinkeltje dat al jaren geen zaken meer doet. „Je weet het nooit.”

Hoe fragiel de stabiliteit in Damascus is blijkt wanneer op 11 maart, een dag na ons vertrek, twee zelfmoordterroristen bommen doen ontploffen in de oude stad, die het leven kosten van veertig Iraakse shi’itische pelgrims en tientallen anderen. Vier dagen later komen 31 mensen om het leven bij een zelfmoordaanslag tegen een gerechtsgebouw. En op zondag 19 maart lanceren de rebellen vanuit Jobar, een buitenwijk in handen van de rebellen, een nieuw offensief – het eerste in jaren.

Maar dat is later. Op de dag dat het hotelmanagement ons waarschuwt weg te blijven van Bab Touma waarschuwt het ook dat er die avond een feestje is op het dak. Het is donderdag, party-avond in de oude stad. „Het zou wat lawaaierig kunnen worden.”

Het is een verjaardagsfeestje. De hele avond wordt er gedanst op Arabische muziek. Maar de dj sluit zijn set af met I Will Survive van de Amerikaanse discodiva Gloria Gaynor. Dat is niet alleen het lijflied van feministen maar ook van burgers in oorlogstijd: Gaynor zong het ooit live in Beiroet tijdens de Libanese burgeroorlog.

Sinds een jaar of zo kent de oude stad van Damascus een ware explosie van restaurants en cafés. „Ik was de eerste die een nieuw café begon. Anderen zijn gevolgd”, vertelt Hadeel Massoud, een jonge binnenhuisarchitect. Niet dat er geen cafés waren: het piepkleine Abu Georges is een klassieker. Maar de laatste jaren was het donker geworden in de oude stad, zegt Riad, eigenaar van restaurant Ninar waar veel kunststudenten komen.

„De mensen uit rijkere wijken als Mezzeh bleven weg. Het was hier te gevaarlijk. Nu komen ze weer.”

Ze zijn bezorgd dat het hardvochtig overkomt: feesten terwijl kilometers verderop mensen doodgaan. „Maar het is juist wegens de oorlog dat we dit doen”, zegt Massoud. „We hebben dit nodig om te overleven. En ja, om even te vergeten wat er gebeurt in plaatsen als Jobar”.

2. Naar ‘bevrijd’ Aleppo

De rit van Damascus naar Aleppo duurde vroeger vier uur; nu acht uur. Vanaf Homs gaat het via Salamiya naar de woestijnweg. Over een afstand van meer dan honderd kilometer loopt die weg door een smalle corridor met links rebellengebied, rechts Islamitische Staat. Om de kilometer of zo bemannen verveelde soldaten versterkte posities, op heuvels of verhogingen om de vijand van ver te zien aankomen. Maar in deze fase van de oorlog is het dus mogelijk om acht uur te rijden door regeringsgebied in Syrië zonder een schot te horen.

Dat is te danken aan de recente successen van het regeringsleger, met name in Aleppo, waar in december de laatste rebellen werden verdreven. De journalist in regeringsgebied leert al snel zijn woordgebruik aan te passen. Zeg niet: rebellen, maar terroristen. Zeg niet: de val van Aleppo, zeg de bevrijding van Aleppo. Die laatste is in grote mate te danken aan de steun van Rusland, Iran en shi’itische milities uit Libanon, Irak en Afghanistan.

Rusland loopt hier het meest in de kijker. In restaurant Cordoba in West-Aleppo zitten Russische soldaten wodka te drinken. De eigenaar zet keihard het Russische volkslied op tot de soldaten zelf gebaren dat het wel wat zachter mag. Rusland is ook aanwezig in het voormalige Oost-Aleppo waar op veel huizen de woorden ‘Mine nyet’ zijn gespoten: geen mijnen hier.

De oude stad van Aleppo biedt een treurige aanblik. Voor de oorlog was dit een toeristische trekpleister. De straten waren opnieuw geplaveid met Duits ontwikkelingsgeld. In gerenoveerde oude paleizen waren chique boetiekhotels geopend waar men honderden euro’s per nacht betaalde.

Het Carlton, een luxehotel pal tegenover de beroemde Citadel, is weg: opgeblazen door rebellen die een tunnel hadden gegraven tot onder het gebouw. In de Omayyadenmoskee zijn er weer – lokale – toeristen. Maar de moskee moet het sinds 2013 doen zonder de minaret uit de elfde eeuw.

Lees ook: Het gevecht om de ziel van Aleppo

Er heerst nu vooral stilte in de oude stad, alleen doorbroken door de wind die muziek maakt met los hangend metaal, en hier en daar getimmer, waar handelaars voorzichtig zijn begonnen met herstelwerkzaamheden.

Hajj Noman Mansour blaakt nochtans van optimisme. De 53-jarige zakenman is op eigen houtje gestart met het herstel van zijn vier winkels in een straatje van de oude stad. Met toestemming van de overheid; hij wijst op officiële papieren die op de gevel zijn geplakt. Hij wacht niet op geld van de gemeente. „Ik ben rijk; een ander heeft dat geld harder nodig dan ik.” Hij schat de kosten op 25 miljoen pond, zo’n 50.000 euro.

Dit is de buurt van de groothandels in kleding, van lingerie tot jassen. „Vroeger was het hier heel druk met kooplieden uit alle landen”, wijst Mansour naar de nu uitgestorven straatjes. Hij weet dat zijn winkels alleen niet zullen volstaan om de klanten terug te halen. Daarom probeert hij collega-handelaars te overreden hetzelfde te doen. Zo komt tenminste in één straat het leven terug. En dan komt het wel goed: „Ik ben een naam hier.”

Hier in de oude stad is er geen sympathie voor de nu zes jaar oude opstand tegen het regime. De handelaars vertrokken toen de gewapende rebellen in de zomer van 2012 de oorlog naar Aleppo brachten. De oude stad werd de frontlijn, een niemandsland.

Heel anders was het in wat tot voor kort Oost-Aleppo heette: het stadsdeel dat in handen was van de rebellen maar waar de politieke oppositie ook experimenteerde met een alternatief bestuur. Behalve de grootschalige verwoesting herinnert bijna niets meer daaraan.

De straten zijn schoongemaakt, maar verder lijkt er vooral in verf te zijn geïnvesteerd. Verf om de rolluiken van de winkels over te schilderen met de officiële Syrische vlag: twee sterren in plaats van de drie van de oppositie.


Naar mensen die de revolutie trouw zijn gebleven hoef je hier niet te zoeken, helemaal niet met een ‘oppas’ van het ministerie van Informatie in het kielzog. Zij zijn in december samen met de gewapende groepen naar Idlib vertrokken. Op vergeelde reclame-affiches zijn de gezichten van vrouwen overgeschilderd: bewijs van de aanwezigheid van Al Qaeda-extremisten.

Van een terugkeer van de burgerbevolking is nog maar weinig sprake. Het ontbreekt aan water, elektriciteit, winkels.

Halima, Nada en Fatme verblijven wel weer met hun mannen en kinderen in het appartementsgebouw in Qadi Askar dat ze waren ontvlucht in de laatste fase van het Aleppo-offensief. De meubels staan er nog zoals ze er stonden toen ze vertrokken. Ze wijzen op vers cement in het plafond: daar was een granaat ingeslagen.

Waarom waren ze weggegaan? „Er werd hard gevochten en er was nauwelijks eten en water meer beschikbaar. Er was geen babymelk. Iedereen werd ziek.” De rebellen probeerden ze uit de weg te gaan, zeggen ze. Islamitische Staat zat er een paar dagen, en vervolgens Jabhat al-Nusra, de Syrische Al-Qaeda. „Die waren minder erg.”

Nu is de misdaad een groot probleem, zegt Samed al-Nasseri, uitbater van sap- en espressobar Al-Nachied – Vitamientje – in de wijk Tariq Al Bab. Nasseri, die anderhalve maand eerder terugkeerde naar Oost-Aleppo, slaapt boven de zaak om dieven te kunnen betrappen. Met zijn vrolijke turquoise doeken, en een interieur dat een grot moet voorstellen, trekt de sapbar de aandacht in een omgeving waar verder alleen bomschade te zien valt. De eigenaar heeft tot nu toe 1 miljoen pond (2.000 euro) gespendeerd om de bar weer op te knappen. In de eerste plaats het grote gat in de achtermuur. De terroristen, zegt Nasseri, gebruikten het als een doorgang.

De 64-jarige Abdel Wahed Binshi zit in zijn eentje van de lentezon te genieten in een parkje in Qadi Askar. Hij is al die tijd in Oost-Aleppo gebleven. Om op het huis te letten, zegt hij. Zijn familie heeft hij weggestuurd toen Jabhat al-Nusra naar zijn zoons kwam vragen. Hij is vijf keer gewond geraakt. Over de gewapende groepen die deze buurt tot december vorig jaar controleerden heeft Binshi niet veel goeds te zeggen.

„Je had hier Jabhat al-Nusra, Nour al-Din al-Zinki en andere groepen. Soms vochten ze samen, soms tegen elkaar. Jabhat al-Nusra was het ergste: ze plunderden huizen, stalen je geld, je auto.”

Is er dan niemand in Aleppo die de andere kant niet uitsluitend ziet als terroristen? We gaan het vragen aan de universiteit van Aleppo. Hier deden de studenten mee aan de opstand tegen president Assad. In mei 2012 vielen veiligheidstroepen en ‘shabiha’ (pro-regeringsmilities) de slaapvertrekken binnen. Er vielen vier doden; één student werd van de vijfde verdieping uit het raam gegooid. In 2013 kwamen 82 mensen om het leven bij een beschieting van de campus waarvan beide partijen elkaar de schuld gaven.

Op de prettige, groene campus van de technische faculteit zitten studenten te praten in een openlucht-auditorium. De inslag van een mortiergranaat verraadt dat de oorlog hier ook nooit ver weg was. In november vielen aan de universiteit op één dag zes doden door mortiergranaten afgeschoten uit Oost-Aleppo.

„De situatie is veel beter nu: er vallen geen mortiergranaten meer”, zegt Mohamed, tweedejaars. Hij is met zijn familie uit Oost-Aleppo gevlucht toen de oorlog begon. Zijn vader is gaan kijken. „Ons huis is niet al te erg beschadigd. Misschien gaan we in de zomer terug als er weer elektriciteit en water is.”

Zijn vriend Ahmed, vijfdejaars, noemt de westerse berichtgeving over Aleppo „leugens en fake news”. „Ze zeggen dat de oppositie de good guys zijn terwijl het juist terroristen zijn.” Nadat het gesprek even is onderbroken door de veiligheidsdienst van de universiteit, nuanceert hij zijn standpunt. „Er zaten wel degelijk goede mensen bij de oppositie”, zegt hij.

„Mensen die echt verandering wilden om het land te helpen. Wij geloofden dat eerst ook. In het eerste jaar kon je spreken van een revolutie. Maar toen kwamen de terroristen. Na een jaar was voor iedereen duidelijk dat de oppositie de verkeerde kant was. Sommigen hebben nog geprobeerd het tij te keren. Maar de meesten zijn terroristen.”


3. Uitgestorven Homs

Homs, de twee na grootste stad van Syrië, werd ooit de ‘bakermat van de revolutie’ genoemd: het was de eerste stad waar de oppositie in 2011 voet aan de grond kreeg. Maar het was ook de eerste waar de rebellen het onderspit zouden delven.

Vanaf 2012 moeten de rebellen – onder druk van bombardementen en uithongering – wijk na wijk opgeven. Dat is een beproefde tactiek. De rebellen vertrekken telkens met behoud van hun wapens. In Homs was er maar één wijk overgebleven die zij in handen hadden: Waer. Afgelopen zaterdag is ook daar de evacuatie begonnen: tien- tot vijftienduizend mensen zullen met bussen naar Jarablus worden gebracht, een stad in de provincie Aleppo die nog wel in handen is van de rebellen.

„Dit heeft prioriteit”, zei president Assad recentelijk in een interview met westerse journalisten. „Eerst moet je van de extremisten afkomen. De politieke verzoening, dat is een andere prioriteit.”


Als verzoening echt een prioriteit is dan zou Baba Amr daar een schoolvoorbeeld van moeten zijn. In deze wijk in Homs hebben de rebellen zich al in 2012 overgegeven. Maar vandaag, vijf jaar later, staat Baba Amr er nog steeds verlaten en geschonden bij. Volgens een legerofficier in burger die ons begeleidt zijn zo’n 700 families teruggekeerd naar Baba Amr – een fractie van de 35.000 mensen die hier voor de oorlog leefden. De meeste van hen zijn vluchteling in Libanon, en maken geen aanstalten om terug te keren.

In een uitgeleefde school hebben 22 ontheemde gezinnen uit Homs en andere steden een toevlucht gevonden. Verder woont hier en daar een gezin; waar is zichtbaar aan de buiten wapperende was.


Walid Mualak (50) en zijn vrouw Rafat hebben net hun oudste zoon Amr verloren, die in het leger in Dera’a tegen rebellen vocht. Mualak zegt dat het leger de familie heeft getroost nadat zijn zoon was gesneuveld en geld heeft gegeven. Verder krijgt elke familie die terugkeert gratis levensmiddelen van de regering. „Alles is beschikbaar voor ons.”

Mualak keerde anderhalf jaar geleden met zijn toen nog drie zoons en twee dochters naar Baba Amr terug. Volgens hem zijn veel mensen al vóór hem teruggegaan, sinds Assad kort na de herovering triomfantelijk de wijk bezocht. Maar die mensen zijn moeilijk te vinden op deze weekenddag waarop de straten vol zouden moeten zijn.

Volgens een rapport van The Syria Institute, een onafhankelijke organisatie in Washington, en het vredesberaad Pax, zijn Baba Amr en andere sunnitische wijken van Homs voorbeelden van demografische manipulatie. De oorspronkelijke sunnitische inwoners kunnen niet terugkeren naar deze vroegere oppositiebolwerken, constateren zij. Niet alleen de schade vormt een barrière, maar ook het voorschrift dat bewoners eerst toestemming moeten vragen aan de politie. Opmerkelijk is, aldus het rapport ‘No return to Homs’, dat de bevolking wel kon terugkeren in Hamidiyeh, een wijk met een christelijke meerderheid. Veel sunnitische bewoners zijn uiteindelijk de Syrische grenzen over gedreven.

Elders in Baba Amr woont een uitgebreide familie met in totaal 31 kinderen in een klein appartementsgebouw. Zij zijn de enige bewoners hier, de kinderen kunnen naar hartelust voetballen in de verlaten straat. De familie komt uit de provincie Aleppo, waaruit zij zeven maanden geleden moest vluchten voor IS. Ook deze familie heeft ‘martelaars’: één zoon is gedood door IS, een ander is gesneuveld als soldaat in het regeringsleger.

We hebben het hier naar onze zin, zegt Omar Haj Ibrahim. „We hebben hier veiligheid, scholen, klinieken.” Het enige probleem is dat er bijna geen mensen zijn. „Vooral ’s avonds is het akelig leeg. Wij zijn het, mensen uit Aleppo, die nieuw leven brengen in Baba Amr.”

4. Damascus, de officiële oppositie

Anas Joudeh hoort ons relaas over Baba Amr droevig aan. „Onderhandelde overgaven als deze zijn geen verzoening. Zij zijn alleen gebaseerd op militair overwicht.” Joudeh vertegenwoordigt de oppositie binnen regeringsgebied. Het is een gemiste kans, zegt hij in zijn moderne kantoor in een middenklassewijk in Damascus.

„Je ziet dat veel mensen in oppositiegebied beginnen te zeggen dat zij de controle van de regering terug willen, zelfs als dat betekent dat zij tweede- of derderangsburgers zullen zijn. Alles is beter dan leven onder gewapende groepen en de bommen van het regime.”

Dit is waar verzoening normaliter zou kunnen beginnen.

Het probleem, zegt Joudeh, is dat het regime niet weet wat dat is, verzoening. „Kijk naar Hama [het bloedig neerslaan van een opstand van de Moslimbroederschap in 1982, red.] Het regime heeft toen voor de militaire oplossing gekozen. Veel mensen steunden die keuze. Maar vervolgens is er niets gedaan op sociaal vlak. Het gevolg is dat de rancune bleef sudderen om in 2011 opnieuw los te barsten.”


Ook econoom Shadi Ahmad, die de regering adviseert, stelt vast dat er een probleem is. „De schade aan de infrastructuur en de economie wordt geraamd op 300 miljard dollar. Die kan je herstellen”, zegt Ahmad in het restaurant van de journalistenvereniging in Damascus.

„Maar ik zeg voortdurend tegen de regering dat je op de lange termijn ook de Syrische samenleving weer moet opbouwen, en op dat vlak gebeurt er niets. Het probleem is dat de regering er geen ervaring mee heeft. Hun prioriteit is de veiligheid te herstellen, en de olievelden te heroveren.” Ahmad is zelf betrokken bij een experiment van VN-organisatie UNDP waarbij sunnieten en christenen in de provincie Homs geld krijgen voor wederopbouw, op voorwaarde dat zij samenwerken. Opposant Joudeh voert tegenwoordig de Natievormingbeweging aan. Die partij wil een thuis geven aan mensen die zich noch in de oppositie noch in het regime kunnen vinden, al wordt dat laatste niet hardop gezegd. „Tieren op het regime zet geen zoden aan de dijk. Wij kiezen voor een rustiger, meer uitgebalanceerd discours. En ik denk dat dat aanslaat bij een groep mensen die op zoek is naar een nieuwe weg waarin zij kunnen geloven. De meeste Syriërs zijn wezen; ze zijn door alle partijen in de steek gelaten en er is niemand die naar hen luistert.”

Dat je in Syrië opposant kan zijn klinkt op het eerste gezicht gek. Maar het Assad-regime heeft altijd een vorm van interne oppositie getolereerd. Soms was dat ‘valse’ oppositie, bedoeld om een schijn van democratie op te houden. In het algemeen kan je als oppositie alleen overleven als je bepaalde ‘rode lijnen’ respecteert – geen kritiek uit op de president, het leger.

„Zij gebruiken ons en wij gebruiken hen”, zegt Joudeh. „Ik zal niet zeggen dat wij kunnen doen wat wij willen. Wij hebben een marge waarin we kunnen opereren. Ik heb het gevoel dat wij binnen die marge best productief kunnen zijn.”

Eigenlijk wil Joudeh liever helemaal van de term oppositie af: die is bezoedeld door de associatie met de gewapende groepen. „In 2011 deelden wij de aspiraties van de activisten die om verandering vroegen. De jonge mensen die toen de straat zijn opgegaan waren oprecht. Maar uiteindelijk hebben de fundamentalisten de overhand gekregen. Zij waren beter georganiseerd en ze hadden bondgenoten in andere landen.”

Toch wil hij niet gezegd hebben dat hij ‘pro-regime’ is.

„Niemand in Syrië is nu pro-regime; mensen zijn anti-oppositie. Toen de rebellen op het toneel verschenen hebben veel mensen besloten dat de regeringskant veiliger was. Dat wil niet zeggen dat zij politiek gesproken pro-regime zijn. De meerderheid wil gewoon stabiliteit; dat is menselijk.”

5. Houden van Bashar

Toch: sommige mensen houden van Bashar Al-Assad. Abdulnasser Wannous en zijn vriendin Sawsan Zoubi geven les in visuele communicatie aan de International University for Science and Technology, een privéschool in prefabgebouwen tegenover het Nationaal Museum in Damascus.

„Ik hou van Bashar al-Assad,” zegt Zoubi, „maar soms stelt hij mij teleur. Hij zou veel kordater moeten zijn.” Collega Rawia Ojjeh, 30, valt haar bij. „Assad had al lang iedereen in Jobar kunnen doden. Maar hij is te barmhartig. Hij zegt altijd dat het niet allemaal terroristen zijn aan de andere kant. Hij geeft mensen kansen die zij niet verdienen. Wij zouden graag hebben dat hij meedogenlozer zou zijn.”

Kijken: Waarom is Assad nog altijd aan de macht?

Wannous probeert de toon te verzachten. „Zelfs als zij ons met bommen bestoken, het blijven Syriërs. We moeten straks wel weer samenleven zoals tevoren”, zegt hij. Ojjeh corrigeert zich. „Een goede vriend van mij is twee dagen geleden gewond geraakt door een mortiergranaat. Dan zeg je soms dingen die je niet meent.”

Ze zijn een beetje bang van ons, zegt zij. „We zien zoveel leugens in de westerse media. Jullie schrijven dat Assad zijn eigen mensen uitmoordt. Maar wij zijn in Damascus en Assad moordt ons helemaal niet uit. Zonder Assad zou ik hier niet zitten. Ik zou thuis zitten met een hijab.”

„Jullie zouden ons moeten helpen in plaats van ons te bestrijden”, zegt Zoubi.

Uiteindelijk ziet men ook aan regeringskant weinig hoop voor de toekomst. Zoubi’s dochter schrijft al drie jaar universiteiten in het buitenland aan, zonder succes. Abdulnasser Wannous’ zoon woont in Duitsland als student: hij heeft een Russisch paspoort. Aan de universiteit van Aleppo zegt een jonge studente, gevraagd naar de toekomst: „Geen toekomst. Zelfs als er wederopbouw komt dan gaat die tijdens mijn leven niet voltooid worden.”

Hadeel Massoud, de binnenhuisarchitect in de oude stad, is verknocht aan haar wijk. „Deze straat is mijn huiskamer; ik ken hier iedereen.” Maar ook zij probeert al jaren aan een visum te komen – haar ouders vetoden de gevaarlijke reis over de Middellandse Zee.

„Ik ga dood hier. Voor jonge mensen als ik is het heel moeilijk om een toekomst te zien in Syrië. We hebben allemaal vrienden die gedood zijn, door mortiergranaten of als soldaten aan het front. Jongens van mijn leeftijd studeren zo lang ze kunnen. Dan moeten ze in het leger. Of ze gaan naar Europa, zoals de meeste van mijn vrienden.”

De toekomst van die diaspora – in de buurlanden of in Europa – is het andere grote vraagteken. Gaan zij ooit terugkeren?

Volgens Anas Joudeh is het regime niet principieel gekant tegen de terugkeer van de vluchtelingen, bijvoorbeeld die uit Libanon naar Homs. Maar hij ziet het niet snel gebeuren. „Het regime ziet hen momenteel als een veiligheidsrisico.” Wie politiek actief was aan de oppositiekant kan het helemaal vergeten. „Dat is het probleem”, zegt Joudeh.

„Een gewapende strijder die mensen heeft gedood kan binnen vijf minuten amnestie krijgen als hij de wapens neerlegt. Maar er is geen amnestie voor politiek activisme.”