Een fotoboekencollectie waar het museum van watertandt

Fotografie

Het Nederlands Fotomuseum heeft een bijzondere collectie fotoboeken verworven.

Obsessieve verzamelaars helpen de kunstgeschiedenis soms een stapje verder. Niet gehinderd door tijd, budgetbeperkingen of van hogerhand opgelegde verzamelcriteria leggen deze mannen (ja, altijd mannen) collecties aan waar musea en bibliotheken vaak niet aan kunnen tippen. Op het moment dat ze hun collecties overdragen aan een publieke instelling gaat er voor onderzoekers soms een wereld open.

Neem de stripverzameling van Hans Matla (1949). Na een halve eeuw begeesterd verzamelen heeft de handelaar en uitgever bijna de complete Nederlandstalige stripgeschiedenis bijeengebracht: 70.000 albums en 100.000 tijdschriften, zeshonderd strekkende meter striphistorie, volgens Matla „97,3 procent van alles wat ooit is uitgebracht”.

Met de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, dat 20.000 Nederlandse strips bezit, is Matla in gesprek over een overname. In een vraaggesprek met de Volkskrant liet de verzamelaar onlangs weten slechts 3 miljoen euro van de bibliotheek te verlangen, terwijl de getaxeerde waarde 6 tot 9 miljoen euro is. Zijn levenswerk moet bijeenblijven, stelde Matla, en hij wil liever niet dat Paulus de Boskabouter straks „in een stripmuseum in Hangzhou” verzeild raakt.

Anderhalve eeuw drukgeschiedenis, een verzameling die zijn weerga niet kent

Fotoboeken

Nog zo’n bijzondere verzameling die kansen biedt aan kunsthistorici is de collectie ‘fotoboeken’ van Jan Wingender (1934). Het gaat om zevenduizend Nederlandse publicaties waarin fotografie een prominente rol speelt. Anderhalve eeuw drukgeschiedenis, een verzameling die zijn weerga niet kent.

Dankzij een schenking van de bejaarde verzamelaar en een subsidie van het Mondriaan Fonds kon het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam de fotoboekencollectie in 2014 verwerven. Het bijzondere is dat Wingender de volledige opbrengst heeft gebruikt voor een groot boek over zijn verzameling.

In 1/100 Dutch Photographic Publications from the Wingender Collection wordt een honderdste deel van de collectie, te weten zeventig publicaties, op een voorbeeldige wijze gepresenteerd. Dus met veel gereproduceerde pagina’s uit de betreffende uitgaven, heldere beschrijvingen en een duiding van de betekenis en de context. De door Els Kerremans ontworpen catalogus is deze maand uitgeroepen tot een van de ‘Best Verzorgde Boeken’.

Jan Wingender (1934), zoon van een Amsterdamse loodgieter, kreeg het verzamelen niet van huis mee. Hij werd leraar aan een technische school en raakte in de ban van fotografie na een bezoek aan The Family of Man , de legendarische fototentoonstelling die in 1956 het Stedelijk Museum Amsterdam aandeed. Het bijbehorende boek was zijn eerste aanschaf. Daarna heeft Wingender ruim een halve eeuw in stilte verzameld.

In een vraaggesprek voorin 1/100 vertelt de verzamelaar dat hij na zijn eerste aankoop jarenlang gemiddeld 4,5 boeken per week kocht. Dat deed Wingender van het geld dat hij verdiende met bijlessen geven in de avonduren. Om richting aan zijn uitdijende collectie te geven, concentreerde hij zich vanaf de jaren tachtig op Nederlandse boeken.

„Fingerspitzengefühl is het belangrijkste wapen van een verzamelaar”

Witte vlek

Tegenwoordig zijn er gespecialiseerde antiquariaten, beurzen en veilingen, en verschijnen met regelmaat boeken over bijzondere fotoboeken. Wingender moest het zonder hulpmiddelen doen. Als een negentiende-eeuwse ontdekkingsreiziger betrad hij een witte vlek op de kaart.

In zijn vrije tijd struinde de leraar antiquariaten, tweedehandswinkels en vlooienmarkten af op zoek naar boeken met foto’s. Overal, op elke afdeling van het antiquariaat, kan je vondsten doen, zegt Wingender in 1/100. „De speurtocht is wat verzamelen zo spannend maakt. Ik voelde meestal wanneer ik goud aanboorde. Dat fingerspitzengefühl is het belangrijkste wapen van een verzamelaar.”

Wingender heeft een fijn oog voor marginalia. In 1/100 staan de eerste vooroorlogse prentenboeken met foto’s in plaats van getekende illustraties. Ook vond hij tal van obscure publicaties. Over landen ver achter de horizon, maar ook pamfletten, bedrijfsbrochures, gebruiksaanwijzingen en de eerste kookboeken met foto’s. Van sommige uitgaven is geen ander exemplaar bekend.

Van de 7.000 publicaties die het Fotomuseum in bezit kreeg zijn er zeker 5.000 nieuw, zegt directeur Ruud Visschedijk. „En de boeken die we al hadden, zijn gebruiksboeken in onze bibliotheek. De collectie Wingender is postfris. Die bewaren we in onze koelkluis.” Het museum zal de boeken alleen beschikbaar stellen aan wetenschappers en tentoonstellingsmakers. Vanaf 16 september wijdt het Fotomuseum een expositie aan de collectie.

Dat betekent vast aandacht voor ‘vergeten’ fotografen als Ellen Thorbecke – wie kent haar indrukwekkende boeken over China? – en Piet Marée, de maker van vrolijke kinderboeken. Ook zijn er kansen om zeventig jaar Nederlandse geschiedenis op een bijzondere manier te vertellen. De laatste resten van de Twentse textielindustrie, de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog, het optimisme van de naoorlogse wederopbouw, de woelige jarige zestig en de vrouwenemancipatie in de jaren zeventig, ze zijn tot leven te brengen met door Jan Wingender verzameld drukwerk.

    • Arjen Ribbens