‘Vroeger was Turks zijn leuk en spannend. Nu altijd negatief’

Turkse Rotterdammers

Voor jonge generatie Turkse Nederlanders is Turkse afkomst steeds belangrijker. „Het gaat zo niet de goede kant op.”

1978. Turkse mannen bij Rotterdam CS, klaar voor een busreis naar Istanbul. Foto Robert de Hartogh

Rondvliegende bloempotten, volkswoede, politie, helikopters: in de nacht van 11 op 12 maart werd het rellen in de binnenstad. Een puinhoop die Rotterdam bekend voor moet komen.

Het is augustus 1972 als verslaggever Jaap van Meekren in de Paarlstraat de microfoon ter hand neemt. „Het is geen Belfast en dat zal het ook wel niet worden. Het is ook geen Berlijn in de Kristallnacht van november 1938”, zegt hij met gedragen stem. „Maar het doet er wel aan denken en dat is al beschamend genoeg. [...] En met een overheid die met 25 jaar van woningnood, en met 125.000 gastarbeiders naast 125.000 werklozen, haar handen in onschuld blijft wassen. En dat alles in een democratisch land als het onze, dat altijd prat is gegaan op een volkomen gebrek aan vreemdelingenhaat.”

Lees ook: Erdogan, ik ben niet uw pion

Van Meekren doet verslag van de rellen in de Afrikaanderwijk, die zes dagen lang als decor fungeert waarin Rotterdammers hun onvrede uiten met een steen in de hand. Geen ruit blijft heel. De vonk die de onvrede liet ontvlammen: een Turkse huisbaas die probeerde een Nederlands gezin uit te zetten, omdat hij in zijn pand een pension wilde beginnen voor gastarbeiders. En dat viel bijzonder slecht. „Ik ken geen ene Chinees die ooit bij de WW is geweest, want die helpen mekaar”, spuugt een Rotterdammer in Van Meekrens microfoon. „Die galbakken zijn gewoon lui.”

De rellen in de Afrikaanderwijk gingen de boeken in als ‘de eerste rassenrellen van Nederland’, hoewel diverse onderzoeken dat later nuanceerden. Het ging niet per se om de Turken. Het ging om de woningnood, de oplopende werkloosheid, het gevoel dat zoveel gastarbeiders kwamen verdienen ten koste van Rotterdammers en een overheid die dat allemaal liet dooretteren. Die ontevredenheid moest eruit.

Gastarbeiders plaatsen bedspiralen tegen stenengooiers.

Foto Vincent Mentzel
14.8.1972. Relschoppers bekogelen een Turks pension in de Afrikaanderwijk.
Foto Vincent Mentzel
De rellen in de Afrikaanderwijk in 1972. Links: gastarbeiders plaatsen bedspiralen tegen stenengooiers. Rechts: relschoppers bekogelen een Turks pension in de Afrikaanderwijk.
Vincent Mentzel

Twee werelden

Bijna 45 jaar later zijn het juist Turkse Nederlanders, die hun frustraties uiten over het gevoel als tweederangsburgers te worden behandeld. Want waarom krijgt het ‘nee’-kamp bij de campagne voor het Turkse referendum van 16 april alle ruimte als zij tegen Erdogan wil protesteren, en kan het ‘ja’-kamp niet eens een minister horen spreken die de Turkse wetswijziging komt bepleiten? Gelden de democratische regels soms niet voor hen?

„Heel treurig dat Turken voor de tweede keer in vijftig jaar centraal staan in rellen”, verzucht Alaattin Erdal, voorzitter van stichting Cosmicus, een denktank die ‘wereldburgerschap’ propageert. De Rotterdammer, tevens oud-CDA-raadslid en oud-hoofdredacteur van de krant Zaman, ziet overeenkomsten tussen de rellen bij het consulaat en die in de Afrikaanderwijk. „De motieven waren destijds niet zozeer racistisch, al hebben veel Turkse mannen dat wel zo ervaren. Wederzijds onbegrip, frustraties over het gevoerde beleid, men sprak elkaars taal niet. Het waren twee werelden naast elkaar.”

Parallelle samenleving: dat begrip valt al snel als het om Turken in Nederland gaat. Vanaf de jaren zestig streken de meeste Turkse gastarbeiders neer in Rotterdam, omdat hier de grootste behoefte was aan laaggeschoolde arbeid, in de haven, de industrie en de bouw. Van de pakweg 400.000 Turken die anno 2017 in Nederland wonen, leven er bijna 50.000 in Rotterdam. Dat een derde generatie Turkse Nederlanders in Rotterdam zou opgroeien, was in de jaren zestig onvoorstelbaar. In die tijd zette de overheid vol in op het halen van arbeidskrachten, maar altijd vanuit de gedachte: ze zijn te gast en gaan weer terug. De eisen om in Nederland te kunnen werken, waren simpel: sterke, hardwerkende, getrouwde mannen zonder politieke voorkeur, die deden wat hen werd opgedragen. Over het algemeen was Nederland dolblij met hun komst.

Toen de werving van arbeidskrachten in Turkije stopte, bleef meer dan de helft in Nederland. „En omdat de meesten getrouwd waren, lieten ze vanaf de jaren tachtig hun vrouwen en kinderen overkomen”, zegt Erik Snel, stadssocioloog en hoogleraar arbeidsmigratie aan de Erasmus Universiteit. „Dat veranderde de hele dynamiek. Niet alleen waren ze ineens veel zichtbaarder op straat, ook ging religie een grotere rol spelen nu ze een gezin om zich heen hadden. De Turken trokken zich meer en meer terug in eigen kring.”

Daar droeg de overheid een flinke steen aan bij. „Onderwijs in de eigen taal was aanvankelijk heel normaal”, stelt Snel. „Kinderen moesten hun moedertaal beheersen, anders konden ze niet terug. Vanuit die gedachte werd ook de organisatie in eigen verenigingen gestimuleerd. Zowel migranten als de overheid hebben heel lang geloofd in die myth of return. Pas in de jaren tachtig, toen wij doorkregen dat ze niet weggingen, kwam integratie ter sprake. En dan nog: wel met behoud van eigen cultuur. Van die traditie nam de regering in de jaren negentig afscheid, maar op lokaal niveau sudderde het nog lang door.”

Turkse kinderen in Rotterdam, eind jaren zeventig. Foto Robert de Hartogh

Bruggenbouwers

Zo raken linkse en politiek georiënteerde organisaties vanaf de jaren tachtig stevig verankerd. Later volgen de religieuze, zoals Milli Görüs, Süleymanlis, Diyanet en Gülen. Er ontstaat een ‘Turkse zuil’, waardoor Turken, hoewel in Rotterdam, toch een vrij Turks leven leiden. De vraag is: hoe erg is dat? In 2014 voeren onderzoekers van de VU in Amsterdam en de Universiteit Utrecht een literatuurstudie uit in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken, waarin ze die vraag beantwoorden. Hun conclusie: Turkse islamitische stromingen en organisaties zijn eerder ‘bruggenbouwers’. De studie hekelt het gebruik van termen als ‘fundamentalistisch’, ‘streng-islamitisch’ en ‘extreem-nationalistisch’, want: „Deze begrippen roepen een bepaalde sfeer op die weinig van doen heeft met het gedachtegoed van de bewegingen en de verschillen daarbinnen. [...] Hun activiteiten zijn gericht op interne solidariteit en cohesie en zijn geen kenmerk van een ongewenste parallelle samenleving of een teken van gebrekkige integratie. Turken zijn een integraal onderdeel van de samenleving en hun netwerken en organisaties vormen een onderdeel van het maatschappelijk middenveld dat over een zekere mate van autonomie moet kunnen beschikken.”

Alaattin Erdal is echter alweer een stap verder. „Dat je via belangenorganisaties en platforms 50.000 Turkse Rotterdammers bereikt, is een grote denkfout. De houdbaarheidsdatum van deze organisaties is allang verstreken. De derde generatie heeft helemaal geen behoefte aan dat soort clubs en is assertief genoeg om zelf voor haar rechten op te komen.” Tegelijkertijd ziet hij binnen de Turkse gemeenschap in rap tempo een nieuw type verenigingen ontstaan. „De basis daarvan: uit welke streek van Turkije zij komen. Laatst had ik een gesprek met een jonge vrouw die zich had aangesloten bij zo’n vereniging. Tot drie keer toe vroeg ik haar: maar je bent toch hier geboren? Ja, zei ze, maar toch lag haar afkomst daar, in het oosten van Turkije, feitelijk gezien dus in het verleden. Dat vind ik van de zotte.”

Op de vraag: ‘Wie voelt zich Nederlander?’ gaan de vingers van Turkse en Marokkaanse leerlingen niet omhoog.

Schizofrene weken

Als een duveltje uit een doosje steekt de innige band met het vaderland telkens de kop op in discussies over al dan niet geïntegreerde Turkse Nederlanders. Niet voor niets is het gezegde: Nederland is het moederland, Turkije het vaderland. „Sommige Turkse Rotterdammers laten zich gek maken door wat er in Turkije gebeurt”, zegt Erdal, „en ja, er zijn ook groepen die mentaal weg zijn, ook al zijn ze hier geboren en getogen.”

Dat is behoorlijk schizofreen, vindt Halil Karaaslan. Hij is docent maatschappijleer op een mbo-school in Schiedam en bestuurslid van het Contactorgaan Moslims en Overheid. „Maar dit zijn ook schizofrene weken”, begint hij. „Voor het eerst is zo concreet de relatie tussen de twee landen waarmee ik mij verbonden voel, onder spanning gezet. Ik voel me nu gedwongen om een kant te kiezen, en dat kan ik niet. Ik ben een Nederlander. En ik ben een Turk.” Het lijkt op kiezen tussen vader of moeder, en Karaaslan beaamt dat hem in toenemende mate een ‘Kramer vs Kramer’-gevoel bekruipt: „Een kind houdt evenveel van mama als van papa, daartussen kiezen is onmogelijk. Die relatie behapbaar houden door hem te simplificeren: je bent voor ons of je bent tegen ons, vind ik een soort belediging.”

Wel is in de jongere generaties de Turkse identiteit aan de winnende hand. ‘Vader’ is immers onvoorwaardelijk in zijn acceptatie. In zijn klassen stelt Karaaslan een eenvoudige vraag, vertelt hij ter illustratie. „Op de vraag: ‘Wie voelt zich Nederlander?’ gaan de vingers van Turkse en Marokkaanse leerlingen niet omhoog. Als ik vraag wie zich Turk of Marokkaan voelt, wel. En waar eerder op de vraag ‘wie voelt zich Rotterdammer?’ nog alle vingers omhoog gingen, zie ik dat nu ook niet meer.” De oorzaak, denkt hij, is dat een biculturele achtergrond tegenwoordig als een probleem wordt gezien. „In de jaren negentig, toen ik opgroeide, was Turks zijn leuk en spannend, en mijn tweetaligheid was bijzonder. De 15- en 16-jarigen van nu hebben die tijd niet meegemaakt. Hun moslimachtergrond is altijd negatief geduid. Ik zou graag zien dat de volgende generatie te horen krijgt van hun ouders: dit land is altijd goed voor ons geweest. In plaats daarvan raken we als samenleving verstrikt in angst.”

1979. Foto Robert de Hartogh

Onderliggende ontevredenheid

Halil Karaaslan ziet barsten ontstaan in het vernis van de Turks-Rotterdamse gemeenschap: de zwijgende meerderheid mort. „De neiging is de vuile was niet buiten te hangen, het onderling op te lossen, zoals altijd gedaan is”, zegt hij. „Maar de stemmen die zeggen dat het zo niet de goede kant op gaat, klinken wel degelijk.”

Alaattin Erdal hoopt dat beide kanten nu wél de moed hebben om elkaar diep in de ogen te kijken en te erkennen waar het misgaat, iets wat na de rellen in de Afrikaanderwijk niet is gebeurd. „Het is wederzijds tijd om elkaars doen en laten onder de loep te leggen”, vindt hij. „We moeten samen de onderliggende ontevredenheid adresseren, zonder de zaken goed te praten die als gevolg daarvan ontstaan zijn. Als ik tijdens die avond twee weken geleden een meisje van 13 jaar zie, in de Turkse vlag gewikkeld, dat luidkeels roept dat ze achter haar leider staat en dat ze zich geen Nederlander voelt, denk ik: zij is niet beeldbepalend voor die overgrote meerderheid die wel geïntegreerd is. Daarom is het zo belangrijk dat het midden van zich laat horen en met zelfreflectie optreedt tegen excessen in de eigen gelederen. Waar het op neerkomt: zo’n meisje gelooft niet dat er hier een toekomst voor haar ligt. En wat je gelooft, daar gedraag je je ook naar.”

    • Margot Smolenaars