De zwevende kiezer

Nu de verkiezingen achter de rug zijn, kan met zekerheid worden vastgesteld wie de grootste winnaar was: de zwevende kiezer. Nooit eerder was er zo veel om die kiezer te doen als nu. Zweefde hij uit besluiteloosheid, uit frustratie of uit strategische overwegingen? Dergelijke vragen kwamen dagelijks voorbij.

Onbeantwoord bleef de vraag: sinds wanneer kennen wij de woordcombinatie zwevende kiezer? In het verzuilde Nederland stemden Nederlanders generaties lang wat hun ouders stemden, of wat hun vakbond of geloof voorschreef. Maar in de loop van de tijd raakten zij op drift, een beweging die kennelijk werd geassocieerd met zweven. Gebeurde dat in de jaren zestig, toen de ontzuiling steeds meer vorm kreeg, of al eerder?

Bij mijn weten dateert de woordcombinatie zwevende kiezer uit het begin van de jaren vijftig. In 1951 schreef het Nieuwsblad van het Noorden: „De belangrijkste ontwikkeling van het Engelse verkiezingsfront is dat Labour aan de winnende hand schijnt te blijven in de strijd om de zwevende kiezer.”

De eerstvolgende bron dateert van 1952 en heeft eveneens betrekking op de Britse verkiezingen. „Het grote feit in de Engelse politiek van na de oorlog”, schreef het Indische handelsblad De locomotief eind 1952, „is dat de man van het midden (de zwevende kiezer, zo men wil), bepaalt wie zal regeren.’’

Dat beide bronnen verwijzen naar de Britse verkiezingen, doet vermoeden dat zwevende kiezer een Engelse leenvertaling is. Dat is ook zo. In het Engelse taalgebied is floating vote in 1847 voor het eerst aangetroffen, in The Knickerbocker, een maandblad dat werd uitgegeven in New York. Een jaar later, in 1848, had dit maandblad het over floaters, een aanduiding die aan het begin van de twintigste eeuw in Engeland gezelschap kreeg van floating voter.

Vanaf het begin van de jaren zestig wordt zwevende kiezer toegepast op Nederlandse stemmers. Vermoedelijk kreeg deze aanduiding extra aandacht door het proefschrift van de politicoloog Hans Daudt. In 1961 promoveerde deze op een studie getiteld De zwevende kiezer, een onderzoek dat overigens betrekking had op de Amerikaanse en Britse verkiezingen. De Engelse versie verscheen onder de titel Floating voters and the floating vote.

Dat dit begrip in Nederland aarzelend terrein won is te zien aan de aanhalingstekens die er aanvankelijk omheen werden geplaatst – in kranten een gangbare manier om nieuwe of vreemde woorden te introduceren. Onder de kop „Het misverstand der ‘zwevende kiezers’’’ schreef het Algemeen Handelsblad in 1963 een uitgebreid artikel over de invloed die deze kiezers indertijd op de Tweede Kamer-verkiezingen hadden gehad. „Niemand kan deze wat mysterieus aandoende figuren aanwijzen”, aldus de krant, „maar toch schijnen alle kenners van het politieke bedrijf nauwkeurig te weten, wat voor lieden deze ‘zwevende kiezers’ zijn.”

Indertijd, aan het begin van de ontzuiling, telde Nederland volgens het Handelsblad zo’n twintig procent zwevende kiezers, nu ruim zestig procent. Volgens sommige kranten waren de zwevende kiezers ditmaal zelfs „op drift”, wat eens te meer benadrukt hoe beweeglijk kiezers zijn geworden. Die mobiliteit komt ook tot uitdrukking in de wonderlijke typering motorblok voor de basiscoalitie van VVD, CDA en D66. Voor mij was die typering nieuw, maar kennelijk leeft deze beeldspraak al langer in Den Haag, want Gerrit Jan Wolffensperger (D66) noemde het „sociaal-economisch pakket” al in 1994 „het motorblok van het regeerakkoord”.

Ewoud Sanders schrijft over taal. Twitter: @ewoudsanders
    • Ewoud Sanders