Metrostation Maalbeek, eerder deze maand

Foto AFP

‘Wat is er sinds vorig jaar veranderd in Brussel? Niets’

Een jaar geleden nam de jonge advocaat Nic Reynaert de fatale metro naar Maalbeek. Trauma verwerkt? De woede overheerst. „Ik spuugde op alles, kotste op het systeem. Daarna kwam de woede.”

Op een terras in het West-Vlaamse Roeselare komen de beelden weer terug van 22/3, de dag dat Brussel werd getroffen door terreuraanslagen. Nic Reynaert, de nu 33-jarige boomlange advocaat, zat vorig jaar in de Maalbeek-metro. „Mijn lijn”, zegt Reynaert.

Om 09.11 uur, 22 maart 2016, arriveert ‘zijn’ trein in station Maalbeek, als een „enorme knal” zijn leven voorgoed verandert. In NRC getuigde hij vorig jaar hoe bij de aanslag twintig van zijn medepassagiers stierven.

„Aan de andere kant van het perron en op het spoor zie ik al mensen liggen. Ik kijk om me heen. Ik zie licht en ren er naartoe. Een jongen rent in mijn kielzog mee richting de trappen. ‘Blijf kalm, blijf kalm’, zeggen we tegen elkaar. Terwijl ik ren, zie ik armen en benen liggen. Eén arm zie ik nog scherp voor me. Hij is gehuld in een opvallende, parelmoerblauwe stof. De arm van een vrouw, denk ik nog. Hij ligt weggeslagen tegen de wand van de metrotunnel. Daarna weer rennen, de trappen op. Niet meer omkijken. Doorgaan nu. Blijven doorgaan. Was ik op die vlucht wel gestopt, dan had ik staan kijken naar die afgerukte armen en benen. Dan was ik, vrees ik, bevroren.”

Of die beelden hem, een jaar nadien, nog uit zijn slaap houden?

„Ik slaap slecht, nog altijd. Maar ik droom sinds 22/3 niet meer, nooit meer gedroomd. En pas acht maanden na de aanslag huilde ik voor het eerst. Zo lang heeft dat geduurd.”

‘Brussel is bevlekt en gebarsten’

Hij heeft Brussel ingeruild voor de vredige provinciestad Roeselare, waar hij is geboren en getogen. Hij probeert zijn werk als advocaat op te pakken. „Ik ben nog een beetje op de dool, zoals wij dat zeggen.”

Vorig jaar zei hij nog: „Mijn Brussel is geweldig, ik ben trots en verliefd op die stad.” Nu zegt hij:

„Mijn beeld van Brussel is bevlekt en gebarsten. Misschien nog te vroeg om te zeggen, maar ik vrees dat het onherstelbaar is.”

Hij vervolgt: „De keren dat ik weer de metro nam, voelde ik me vies als de trein Maalbeek passeerde. Iedereen gaat gewoon weer door, het leven gaat verder, maar ik zie alles nog. Dáár lag zus, en tegen die wand lag zo. Dáár stond ik. En daar zocht ik een uitweg omhoog.”

De eerste maanden na de aanslagen werd hij overvallen door een „enorme zwartgalligheid. Ik spuugde op alles, kotste op het systeem. Daarna kwam de woede. Wat er sindsdien op institutioneel en politiek niveau in Brussel is veranderd? Niets.”

Hij is woedend, op politici, op rechters. „De zachte heelmeesters die stinkende wonden maken. Dat komt door de Belgische mentaliteit: we hebben de misstanden jarenlang genegeerd en zaken verwaarloosd. Ons politieke systeem is cliëntelistisch, en niet in het belang van de burger. Exemplarisch was toen twee ministers daags na de aanslagen hun ontslag aanboden, als laffe kapiteinen, terwijl schip-België nog volop aan het zinken was.”

„Gelukkig hebben we onze laksheid en onze beroemde Belgische bieren die ons verdoven.”

‘Op de fiets bevroor ik van paniek’

Hij had lange tijd last van coördinatie- en evenwichtsstoornissen. Een vol glas zonder morsen terug op tafel zetten lukte niet meer. Hij mocht een jaar lang niet autorijden. „En op de fiets bevroor ik al van paniek als een tegenligger een vreemde manoeuvre maakte. Het hoort allemaal bij posttraumatische stressstoornis.”

Lees ook dit interview met Nic Reynaert uit 2016, vlak na de aanslagen: ‘Ik begon te roepen: ik kan er niet uit’

Hoe je dat verwerkt? „Weet jij het? Bij ons in West-Vlaanderen ga je dan hard werken om te vergeten.”

De eerste weken na de aanslag ging hij regelmatig rond middernacht naar Maalbeek. „Gewoon in mijn eentje, in het donker, bij de bloemen zitten die er nog lagen. Praten met mezelf, praten met de mensen die daar zijn gestorven. Dat verzachtte mijn rusteloosheid.”

Hij noemt zich een „gelukkig slachtoffer.” Aan Reynaert mankeert ogenschijnlijk niets. „Ik heb alle ledematen nog. Geen brandwonden. De pijn zit van binnen.”

‘Liefde? Het zegt me niks’

Ieder slachtoffer gaat er anders mee om. „Een 17-jarig meisje dat bij de aanslag op vliegveld Zaventem haar benen verloor, traint nu voor de Paralympics in Tokio in 2020. Dressuur – paardrijden was en is haar leven. En ze maakt studieplannen. Ik ben jaloers op haar jeugdige naïviteit. Ik zit in een wereld waar ik vecht tegen domme wetten, tegen het gebrek aan gezond verstand. Ik zou soms willen dat ik een andere bril kon opzetten dan die van advocaat.”

Zijn vrienden zeggen: ‘Nic, beschouw 22/3 als een tweede verjaardag. Daarna begon een nieuw leven’.

„Lief bedoeld. Maar ik was toch liever de man gebleven die ik vóór 22/3 was.”

Hij vervolgt: „Ik zal er alles aan doen niet verbitterd te raken. Maar ik ben botter geworden. Geen geduld meer. Geen tijd meer voor onzin, voor zever. Liefde? Het zegt me niks. En da’s heel raar, want voordien was ik op dat terrein héél anders.”

    • Tijn Sadée