Recensie

Wat betekent het voor een kind om op de vlucht te zijn?

‘Toen mijn vader een struik werd’ volgt de kleine Toda die uit een naamloos oorlogsgebied wordt geëvacueerd, op de vlucht slaat en op zoek gaat naar haar moeder.

Sticky en Toda (Matsen Montsma en Celeste Holsheimer) in Toen mijn vader een struik werd.

In elke oorlog draait het eigenlijk maar om één ding: de ene groep vecht tegen de andere. Wat nou als je niet weet of je bij de ene of de andere groep hoort omdat je met je vader boven een bakkerij woont en alleen maar de lekkerste koekjes van de hele wereld wilt bakken? In haar kinderfilms schuwt Nicole van Kilsdonk (Ventoux) zware thema’s niet: ook Patatje Oorlog (2011) ging al over de gevolgen van oorlog voor een kinderleven.

Toen mijn vader een struik werd is gebaseerd op het gelijknamige kinderboek van Joke van Leeuwen. De uitgebeende, poëtisch-filosofische road-movie („Hoe ziet een grens er eigenlijk uit?”) volgt de kleine Toda die uit een naamloos oorlogsgebied wordt geëvacueerd, op de vlucht slaat en op zoek gaat naar haar moeder.

De film werd grotendeels in Kroatië opgenomen, een land dat nog steeds sporen draagt van een oorlog, wat een effectieve vorm van vervreemding teweegbrengt: de locaties en landschappen zijn zowel vreemd als herkenbaar. Net als de lange rij van ontmoetingen overigens, die Toda heeft met hulpverleners, mensensmokkelaars, een gedeserteerde commandant die niet kan commanderen of een generaal in ruste die haar leert niet bang te zijn.

De film gaat krampachtig van start: het scenario vertrouwt te weinig op z’n prikkelend abstracte kracht en heeft de neiging veel te uitleggerig te zijn. Tegen het einde werkt de combinatie van mysterieus en bekend beter, en wordt invoelbaar wat het betekent om als kind op de vlucht te zijn voor wat volwassenen elkaar aandoen.

    • Dana Linssen