Opinie

    • Frits Abrahams

Razende reporter

Jimmy Breslin stierf deze week op 88-jarige leeftijd. In Amerika een journalistieke legende, in Nederland praktisch onbekend, ook in journalistieke kringen – ten onrechte, want Breslin was een formidabele journalist.

In 1986 schreef ik voor Vrij Nederland een uitgebreid profiel over hem. Ik was onder de indruk geraakt van een dikke bundel met zijn columns: The World According to Breslin. ‘Columns’ was niet helemaal de goede omschrijving, daarvoor waren ze te lang – minstens 1.300 woorden – en te registrerend. Het waren eerder korte, in persoonlijke stijl geschreven reportages met een actuele aanleiding. Breslin was geen bespiegelende, opiniërende columnist, hij was meer reporter dan columnist; hij schreef, wat we nu noemen, verslaggevercolumns.

Zijn schrijfstijl was bondig met een Hemingway-achtige inslag. Zijn beste stukken laten zich lezen als korte verhalen. Zo begint een column over een vrouw die beroofd was: „She had been to the hospital to visit her father and as she started up to her apartment, the stairs seemed steeper than usual. A man was behind her, but his clothes were neat and she felt no danger.”

Zo werd Breslin met collega’s als Tom Wolfe en Gay Talese een van de grondleggers van de Nieuwe Journalistiek, de impressionistische, verhalende tegenhanger van de traditionele journalistiek.

Zijn onderwerpkeuze was opmerkelijk: hij zocht eerder de man-in-de-straat op dan de beroemdheden. Opgegroeid in een middenklassebuurt in Queens kende hij New York als zijn broekzak. Hij wilde vooral het lot van de zwaksten beschrijven: de zwarten, de latino’s. Tegelijk was hij zich bewust van de groeiende onvrede in de stedelijke middenklasse.

Overdag volgde hij een of andere gebeurtenis of persoon, omstreeks vier uur keerde hij terug op de stadsredactie om te schrijven. „Hij zag eruit als een bowlingbal, kokend van vloeibare zuurstof”, herinnerde collega Wolfe zich, „ik heb nooit iemand gezien die zo goed tegen een deadline aan kon werken.”

Hij schreef veel over criminaliteit, vooral die in de verpauperde buurten. Een van die columns kwam hem te staan op een pak slaag door een maffioso. Hij was een maniakale werker: columns, boeken (ook romans), televisie. Zijn bloeitijd beleefde hij bij de New York Daily News, een sensatiezuchtige tabloid, waarvoor hij drie lange columns per week schreef.

Hij was een driftig man. Toen een collega-columniste van Koreaanse afkomst hem van seksisme betichtte, schold hij haar op de redactie met racistische taal uit: het bezorgde hem een schorsing. Zijn vader, die het gezin al vroeg in de steek had gelaten, meldde zich bij zijn beroemde zoon toen hij aan de grond zat. Jimmy betaalde zijn doktersrekeningen en stuurde hem dit telegram: „Next time kill yourself.”

Met veel autoriteiten, onder wie burgemeester Koch van New York, leefde hij op voet van oorlog. In 1969 was hij running mate van Norman Mailer, toen die burgemeester wilde worden. Over de autoriteiten van zijn stad zei Breslin: „Fuck them and their Mickey Mouse issues – the city is lost. I wouldn’t even let Norman debate those fuckin’ bandits.”

Het chique deel van de journalistiek keek lang op deze razende reporter neer, maar in 1986 kreeg hij toch eindelijk de Pulitzer Prize voor zijn columns.

    • Frits Abrahams