Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Poephoofd

Marcel

De dochter (1) had weer eens een virus meegenomen van de kinderopvang. Het verspreidde zich razendsnel, korte tijd later waren we alle drie ziek. „Uitgerekend nu ze is uitgerekend”, zei ik tegen onze kraamhulp toen ze telefonisch het laatste puntje op de i kwam zetten. Ze deed mijn diarree en koorts af als ‘psychisch’, en adviseerde de vriendin die met haar buik omhoog op de bank lag dat de dochter en ik maar even moesten verdwijnen. We werden naar het Kruidvat gestuurd voor babyvoeding en tandpasta.

Nou daar gingen we, zuchtend en met de grootst mogelijke tegenzin.

Het voorjaarszonnetje hing irritant laag terwijl ik de dochter in haar roze jasje naar de tramhalte sleepte.

Tram in, tram uit, ter hoogte van de kaasboer zette ik haar op de schouders. Een paar passen verder voelde ik iets warms, ze was me aan het onder poepen. Een warm bruin-groen straaltje liep vanuit mijn nek zo mijn blauwe blouse in. Alsof er een kraantje was opengezet, even later zat het ook in mijn haar.

Juist toen kwamen we een bekende tegen, bijna twee meter enthousiasme in een windjack. Op vakantie geweest – veel vliegvertraging gehad – heel erg opgeknapt door het mooie weer – wanneer werd onze baby geboren?

Bij het afscheid zei hij: „Je hebt trouwens iets op je hoofd. Poep of zo.”

Als ze terloops tegen je gaan zeggen dat je poep aan je hoofd hebt moet je je zorgen gaan maken.

Na een korte stop op het toilet van een broodjeszaak waar we alles van ons afsmeerden belandden we dan toch in het Kruidvat. Ik moest aan ‘Jeroentje poep aan je schoentje’ uit de strip Jan, Jans en de kinderen van Jan Kruis denken, toen de kassajuffrouw zei: „Sorry meneer, maar ik weet niet wat ik ruik.”

Ja, dacht ik, de poep op mijn buik.

In de tram terug hingen we als vieze vaatdoeken tegen elkaar.

De vriendin belde om te zeggen dat ze zich in bed had gehesen, dat ze daar voorlopig niet meer uitkwam en dat ze niet dacht dat ze al ging bevallen. Dat kwam dan mooi uit, want er was haar inmiddels verteld dat dit virus maar een dag of twee duurde.

„Dus morgen is alles weer gewoon.”

Ik keek naar mijn handen en kon het niet nalaten om ‘poep aan mijn telefoon’ te rijmen. Ze reageerde niet enthousiast op mijn humor, dat was alleen in de Libelle leuk. Daarna hoorde ik mezelf meermaals ‘het was geen grapje’ zeggen.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.
    • Marcel van Roosmalen