Financiële strop dreigt voor slachtoffers aanvaring stuw

Uitspraak maritieme kamer

De eigenaar van de tanker die een stuw bij Grave ramde, is maar voor een beperkt deel aansprakelijk voor de schade.

Inspecteurs van Rijkswaterstaat controleren het gebied van het Maas-Waalkanaal, nadat een Duits binnenvaartschip dwars door de stuw bij Grave is gevaren. Foto Piroschka van de Wouw/ANP

Voor veel gedupeerden van de aanvaring van de stuw bij Grave dreigt een fikse strop. De eigenaar van de benzeentanker Maria Valentine is maar voor een heel beperkt deel van de schade aansprakelijk, zo bepaalde de maritieme kamer van de rechtbank in Rotterdam woensdag. De schade beloopt enkele tientallen miljoenen euro’s, van dat bedrag kan slechts ruim 9 ton worden verhaald op de eigenaar van het schip, Normannia, een dochterbedrijf van de Duitse rederij Gefo.

Het leeuwendeel gaat vermoedelijk naar Rijkswaterstaat. Dat heeft een claim van 20 miljoen euro ingediend, en is veruit de grootste van 98 schuldeisers. De rechtbank benoemt nu een ‘vereffenaar’, die toeziet op een rechtvaardige verdeling van het bedrag. Die verloopt naar rato van de hoogte van de claim. „Ik heb schuldeisers al snel gewaarschuwd zich niet rijk te rekenen”, zegt Pieter den Haan, advocaat-partner bij AKD en gespecialiseerd in scheepsrecht. Hij staat enkele kleinere schuldeisers bij. „Het komt erop neer dat ze meebetalen aan de reparatie van de stuw.”

Lees ook: Wie dit gaat betalen? Dat weet niemand

Tweeduizend ton benzeen

De tanker Maria Valentine ramde 29 december vorig jaar in dichte mist het stuwencomplex in de Maas bij Grave en kwam drie meter lager aan de andere kant terecht. Er vielen geen gewonden. Rijkswaterstaat was in de eerste uren vooral bezorgd voor de veiligheid van de omgeving; het schip was geladen met tweeduizend ton benzeen. Die is echter niet ontploft. De gevolgen waren niettemin groot. Een stuw in het Maas-Waalkanaal werd om nog onduidelijke redenen pas na enkele uren gesloten, zodat een deel van de vaarweg als het ware leegstroomde. Er was enkele weken geen scheepvaart mogelijk, en woonschepen kwamen droog te liggen. Schepen moesten omvaren. Bedrijven langs de route konden niet worden bevoorraad. Na enkele weken kon het waterpeil weer worden verhoogd, na de bouw van een tijdelijke dam achter de stuw.

Eerder besloot minister Schultz van Haegen (Infrastructuur, VVD) geen noodfonds in te stellen. De enige kans op meer geld maken de gedupeerden als ook Rijkswaterstaat bij de aanpak van het ongeval verwijtbaar heeft gehandeld en daarvoor aansprakelijk kan worden gesteld, zegt Den Haan. „Had deze aanvaring werkelijk zo veel schade moeten veroorzaken en lag er een plan van aanpak?” De aansprakelijkheid van Rijkswaterstaat, merkt hij op, is onbeperkt.

Dat de rechtbank een verzoek van de Duitse reder tot beperking van de aansprakelijkheid heeft gehonoreerd, komt niet als een verrassing. Het is min of meer een formaliteit die voortvloeit uit internationale afspraken en verdragen. De rechter toetst of de gebruikelijke formule voor aansprakelijkheid van „zaakschade” juist is toegepast. In deze formule hangt de hoogte van de aansprakelijkheid af van het laadvermogen en motorcapaciteit van een schip. Dat bleek tijdens de zitting wel te kloppen.

Kan opzet worden bewezen?

Eigenaren van schepen zijn alleen voor een hoger bedrag aansprakelijk als opzet of grove schuld kan worden bewezen. Dan moet een schipper doelbewust de schade hebben veroorzaakt, en dat lijkt niet het geval. Er lopen verschillende onderzoeken naar de toedracht van het incident, onder meer van de Onderzoeksraad voor Veiligheid.

De Duitse reder moet binnen een maand de ruim 9 ton storten in een fonds dat door de vereffenaar zal worden verdeeld. De financiële strop gaat vermoedelijk niemand van de gedupeerden de kop kosten; ze zijn immers veelal ook zelf verzekerd. Eigenaren van woonschepen die droog kwamen te liggen kunnen hun schade meestal claimen bij hun verzekeraar. Anderen, zoals schippers, zullen de pijn delen met collega’s en klanten.

    • Arjen Schreuder