Column

Talent

Column Ellen Deckwitz

Vannacht ging mijn telefoon en omdat ik niets beters te doen had, nam ik op. „Ik heb geen enkel talent!!” schreeuwde mijn zus in de hoorn. Ik was opgelucht, soms belt ze me om te brullen dat we allemaal sterfelijk zijn of dat ze de kliko vergeten is buiten te zetten. Hoewel het hier geen halszaak betrof, klonk ze redelijk in paniek, dus probeerde ik haar gerust te stellen, zo van hoezo, je barst van het talent, je hebt twee kinderen eruit geperst, dat vereist aanleg en lef en een subtiele neiging tot automutilatie, waar maak je je druk over.

„Iedereen kan kinderen krijgen! Ik wil weten waar ik talent voor heb!” riep ze.

Ik kon zo dertig dingen opnoemen waar mijn zus bovengemiddeld goed in is – ehbo’en, vuurtjes blussen, mensen kalmeren – maar ik vreesde dat ze iets bedoelde waar ze geen cursus bedrijfshulpverlening voor nodig had gehad. Toen schoot me iets te binnen.

„Weet je nog toen je dacht dat je hepatitis A of B had en dat na de test je leverwaarden juist uitzonderlijk goed bleken? Dat de dokter zei dat hij nog nooit zo’n geweldige uitslag had gezien?”

„Ja, en?”

„Dat betekent dat je talent hebt om te drinken!”

„Maar ik drink niet.”

„Dat is niet het punt. Je wilde weten waar je talent voor had. Of je het in klinkende munt omzet is een tweede.”

„Ik dacht dat dat juist het idee was achter talent. Dat je ermee aan de bak gaat.”

„Nee joh, het gaat alleen om potentie. Hoef je helemaal niets mee te doen. Trouwens, wanneer je er iets mee doet, is het ook geen talent meer. Rembrandt zal op zijn twaalfde echt wel talent voor de verfkunst hebben gehad, maar toen die De Nachtwacht afleverde noemde niemand dat nog talent. Toen was het gewoon zijn baan. Moet je tegen kunnen.”

„Eigenlijk best maf, dat je met talent altijd meteen in actie moet komen”, peinsde mijn zus. „Het is toch ook een heerlijk idee dat je er juist niets mee hoeft te doen? Haalt de druk eraf.”

„Inderdaad”, zei ik. „Jij kan met gemak een badkuip vol jenever leegdrinken en vervolgens nog rechtop staan. Dat is pas knap!”

„Inderdaad!” zei mijn zus. „Leve mijn hoogbegaafde lever!”

„Zie je wel dat je talent hebt?”

„Het is haast een geheime superkracht”, giechelde ze. „Nou, dank je wel, ik ga weer proberen te slapen. Truste.”

„Truste.” Ik glimlachte, maar zette mijn mobiel ook direct op de vliegtuigstand. Weten wanneer iemand voldoende is geholpen, is mijn allergrootste verdienste.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.