Op expositie over Francofobie staat Frankrijk centraal

L’Esprit français

In het Parijse Maison Rouge worden de heersende autoriteiten uitgedaagd met kunst die je zelden in musea ziet.

Au putain inconnu’ van Michel Journiac (1943–1995) uit 1973.

Het is „puur toeval” dat de expositie L’Esprit français: contre-cultures 1969-1989 juist deze verkiezingsperiode in Parijs te zien is, zegt een van de twee curatoren, François Piron, desgevraagd. Hij werkt, met Guillaume Désanges, tenslotte al jaren aan dit overzicht van de Franse undergroundbeweging in de twintig jaar na de studentenrevolte van mei 1968. „Maar het komt wel goed uit”, lacht hij.

Want wie denkt dat het Franse nationalisme, ook in de huidige van identiteitsvragen doordrenkte campagnes, nooit serieuze oppositie heeft gehad zit er naast. De tentoonstelling laat zien dat, in de woorden van Piron, „ook een andere identiteit” bestaat. „Een die niet draait om bloedlijnen, maar om politiek-sociale omstandigheden die een nieuwe context creëren.”

Anti-patriottische symboliek

Dat leidt tijdens een van de laatste exposities in het volgend jaar sluitende Maison Rouge bij Bastille tot een enigszins eclectische verzameling contemporaine kunst. De grootste gemene deler is dat de dominante moraal en de heersende autoriteiten, worden uitgedaagd, vaak met hulp van anti-patriottische symboliek.

Zo arriveert de bezoeker, na een lange tijdlijn met alle mijlpalen van twintig jaar tegenbeweging, in een eerste zaaltje bij een ingelijst origineel manuscript uit de negentiende eeuw van de Marseillaise, het Franse volkslied. Daar is op het eerste gezicht niets opvallends aan, maar wie de geschiedenis kent, weet dat het gaat om de versie die muzikant Serge Gainsbourg in 1981 onder grote publiciteit voor 135.000 francs op een veiling in Versailles kocht. Hij had zich enige jaren eerder de woede op de hals gehaald van militairen en conservatieve opinieleiders door op Jamaica een in hun ogen respectloze reggaeversie van het bloedige Franse volkslied op te nemen („Aux armes, et caetera”) en nam op subtiele wijze wraak.

Volgt een aantal controversiële coverpagina’s van het op de golven van 1968 groot geworden weekblad Hara Kiri (het latere Charlie Hebdo), werk met Franse vlaggen en andere patriottische parafernalia in subversieve uitvoeringen, geïllustreerde tegengeschiedenissen van de kolonisatie en filmpjes en foto’s van experimentele en vaak seksueel beladen performance art. Dat alles op de woeste klanken van punkband Bérurier Noir (‘La jeunesse emmerde le Front National’) of de verraderlijke suikerspinpop van de transseksuele zangeres Marie France, een van de iconen van het illustere Front Homosexuel d’Action Révolutionnaire.

In officiële collecties niet present

Het encyclopedische karakter van dit soort exposities maakt de keuzes soms wat willekeurig of zonder de broodnodige catalogus moeilijk te plaatsen. De minder voorbereide of te jonge toeschouwer beleeft een fascinerende onderdompeling in een Frankrijk dat veel niet-Fransen (en ook veel Fransen zelf) nauwelijks kennen en dat in de officiële kunstcollecties niet erg present is. Enkele motieven zijn daarbij opvallend actueel: het linkse protest tegen buitensporig politiegeweld in de banlieue bijvoorbeeld of het kunstenaarsverzet tegen het uit dat autoritaire Frankrijk voortgekomen Front National.

Protest- en emancipatiebewegingen en daaruit voortkomende zijn in de jaren zeventig en tachtig natuurlijk niet typisch Frans. De radicalisering hiervan is dat wel; het bijkans revolutionaire jusqu’au-boutisme, het tot het uiterste kritiseren van eigen en andermans ideeën. „Het verhindert een bundeling van krachten”, vertelt curator Piron. Dat zie je aan de felle kritiek op de zedelijke normen van het militante feminisme die schrijfster Annie Le Brun midden jaren zeventig tegenwerpt. Aan haar is in het Maison Rouge een hoekje gewijd, net als aan queer-theoreticus Guy Hocquenghem die door zijn radicaliteit in de emancipatiestrijd van Franse homo’s veel mensen van zich vervreemdde. „Dat zijn stemmen”, zegt Piron, „die vijanden maken door de ultieme vrijheid van meningsuiting te gebruiken om hun ideeën volledig uit te ontwikkelen.”

Ook de wijze waarop de Franse kunstenaars zich meteen tegen het diepste wezen van de eigen natie keren is een enigszins lokale eigenaardigheid. Daarmee tonen ze zich even Frans als het Frankrijk dat ze cultureel verwensen. „Ook met Francofobie stel je de natie centraal”, resumeert Piron. „Frankrijk is een land dat met al zijn twijfels en gesomber misschien niet van zichzelf houdt, maar het plaatst zichzelf wel altijd in het centrum van de wereld, ook en vooral cultureel.”

    • Peter Vermaas