Opinie

    • Maxim Februari

De dakloze vertrouwde het aanbod voor geen cent

Als ik plots zin krijg iemand een dreun te verkopen, dan komt dat door de Boekenweek. Vanwege de verkiezingen zijn we een tijdje druk geweest met vrede en voorspoed, fortuin en fatsoen, rijk worden, gezond blijven, dat in- en inkeurige pakket van publiek geluk dat de politiek ons belooft. Maar nu nadert de Boekenweek met haar letterkundige ruigheid. Nu wordt het ernst.

Natuurlijk, zo op het oog is zelfs de Boekenweek een kalm en burgerlijk evenement. Het thema is ditmaal ‘verboden vruchten’ en dus zal het wel weer over seks, passie en lust moeten gaan. Business as usual. Maar die verboden vruchten verwijzen ook naar kennis van goed en kwaad en de zwartere kanten van het bestaan. Niks ‘verleiding’ en ‘genot’. Geweld zul je bedoelen! Lees een roman, lees een gedicht, en je beseft weer welk kwaad zich roert in de menselijke ziel.

Neem Nijhoff. Toen in verkiezingstijd werd gesproken over goedheid, verdelende rechtvaardigheid en barmhartigheid, las ik een gedicht van Martinus Nijhoff over zijn naamheilige Sint-Martinus. Volgens overlevering deelde de heilige zijn mantel ooit met een bedelaar, maar de dichter is niet onder de indruk van dat gebaar. „Als ik uw snijdend beeld zie, denk ik schamper: Ook gij waart klein.”

Want waarom geeft zo’n heilige niet meteen zijn hele mantel weg? Trouwens, waarom komt hij niet van zijn paard af, zoals een goed Samaritaan betaamt? En nu de dichter er toch over nadenkt: de heilige is in zijn houding tegenover die arme bedelaar überhaupt niet te vertrouwen. „Toen gij uw zwaard greept, hebt gij willen slaan, / Naar ’t creatuur dat zat te beven.”

Het is een nieuw gezichtspunt: een agressieve heilige. En de situatie wordt nog grimmiger als je dieper duikt in literaire teksten over barmhartigheid. Is het bij Martinus Nijhoff de heilige die wil gaan slaan, bij Jules Deelder is het de bedelaar, en die voert zijn plannen voortvarend uit. In het gedicht De hardnekkige Samaritaan beschrijft Deelder de situatie vanuit het perspectief van de schooier die wordt gestoord als hij op straat zijn roes ligt uit te slapen.

„…worrik wakker gemaakt door / ’n halleve zool op een paard / die vraag ovvikket koud hep? / Ik zeg: vent krijg de dood- / straf met koud mafkees / rot naar je familiegraf / doet mijn een lol maar die / gozer verstame verkeerd / want die scheur in ene ze / jas doormidde en wil de / helleft aan mij geve…! / Ik zeg: vent val dood met / je halleve jas wouzekous / la mijn lekker met rust.”

Dit loopt natuurlijk danig uit de hand, want de barmhartige met zijn halve jas is niet meer te stuiten en biedt ook nog eten, drinken en een slaapplaats aan. Dat zint de dakloze absoluut niet. Zijn levensstijl wordt erdoor aangetast en hij vertrouwt het hulpaanbod voor geen cent. Daarom wordt aan het eind van het liedje de hardnekkige Samaritaan met een steen doodgeslagen en belandt het paard bij de slager.

Nou nemen ethici de barmhartigheid meestal ook wel met een korreltje zout. Zij die beroepshalve van de verboden vruchten eten, zoeken vooral naar een juiste balans tussen goed en kwaad. Zo introduceerde ethicus Judith Jarvis Thomson ooit het begrip minimaal fatsoenlijke Samaritaan – ‘minimally decent Samaritan’ – om duidelijk te maken dat al te goed zijn niet wenselijk is. Een beetje barmhartigheid is best, maar je moet niet overdrijven.

Toch zijn literaire schrijvers nog vele malen erger dan ethici. Kennis van goed en kwaad leidt bij hen al gauw tot geweld. Lees het verhaal Assommons les pauvres!Geef de armen een pak slaag! – van de dichter Baudelaire. Zodra iemand op straat een bedelaar treft, fluistert zijn demon iets over gelijkwaardigheid die verdiend moet worden.

„Onmiddellijk wierp ik mij op mijn bedelaar. Met een vuistslag sloeg ik hem een oog dicht, dat in een mum van tijd zo dik werd als een tennisbal. Ik brak een nagel toen ik twee van zijn tanden verbrijzelde. En daar ik me vanwege mijn tere gestel en mijn geringe training in de bokssport niet sterk genoeg voelde om die oude man snel neer te slaan, greep ik hem met mijn ene hand bij de kraag van zijn jas, klemde de andere om zijn keel en begon zijn hoofd krachtig tegen een muur te beuken.”

En kijk eens aan, de benadering werkt! De bedelaar voelt zich serieus genomen en mept even hard terug. „Door mijn krachtdadige behandeling had ik hem zijn trots en zijn leven teruggegeven.”

Dus, ja, wat kan ik over de Boekenweek zeggen? Het thema van de verboden vruchten heeft me ruw met mijn neus in de bloemen van het kwaad gedrukt. Waarvoor dank aan de baas van het CPNB – herinner me eraan dat ik de mafkees bij de volgende ontmoeting een oog dichtsla, om de levendigheid van de literatuur te bekrachtigen.

Maxim Februari is jurist en columnist.
    • Maxim Februari