Recensie

Poëtische biecht van een diplomaat

Theater

In de vernuftige theatermonoloog worden parallellen getrokken tussen onder meer het lijmen van de scherven van een vaas en strategische beslissingen in de wereldpolitiek.

Waarom zou je nog theater maken als iedereen in de wereld al theater speelt? Het is geen nieuwe vraag, maar het is goed dat hij op zijn tijd gesteld wordt, zeker als dat zo poëtisch en met zulke toegewijde ernst gebeurt als in Kissinger. Deze monoloog, van romancier Joost de Vries en theatermaker Bo Tarenskeen, en gespeeld door Tarenskeen, is een vernuftig opgebouwde zelfbeschuldiging van Henry Kissinger, de minister van Buitenlandse Zaken van de VS in de jaren 70.

Tarenskeen opent met een verhaal over een vriend die geluk kent tot hij door zijn vrouw verlaten wordt. Dan begaat hij een misstap en maakt iemands vaas kapot. Dat is de start van een serie parallellen, onder verwijzing naar een schrijver van „metaforen met een open einde”.

Voor zijn idee dat iedereen een rol speelt, vindt hij vergelijkingen bij Downton Abbey, Andy Warhol en Chinese filosofie. Hij hint op zijn werk als diplomaat: evenwicht is alles, helden bestaan niet.

Zo komt Kissinger bij zijn eigen rol. Direct en indirect is hij verantwoordelijk voor miljoenen doden, maar hij ontving voor het vrede sluiten in Vietnam, waar een oorlog woedde die hij zelf eerst jaren verlengde, de Nobelprijs voor de Vrede. Hij is geen realist, zegt hij tot slot, maar een idealist, die dingen wilde maken, repareren. Parallel: als de scherven van een vaas. De parallellen met de actualiteit liggen voor het oprapen.

    • Ron Rijghard