Mannen, lees ook eens een vrouw

De meeste lezers zijn vrouw, maar in de literatuurgeschiedenis lijken vooral mannen te wonen, schrijft aan de vooravond van de Boekenweek.

Illustratie iStock, bewerking NRC

De laatste tien jaar heeft zich in onze literatuur een ware vrouwenmars voltrokken. De vraag of vrouwen wel voor vol werden aangezien, speelde al langer, in een literatuur waarin Hella Haasse, Vasalis of Marga Minco nooit een ‘stroming’ of ‘generatie’ konden vormen, want echte literatuur werd nu eenmaal gemaakt door mannen. De mars begon in het najaar van 2006 toen de Libris Literatuurprijs voor grote opschudding zorgde, want er stond geen enkele vrouwelijke auteur op de shortlist. De jury wreef nog zout in de wonden toen de voorzitter sprak van „lichtgewicht vrouwelijke wissewasjes”. Pikant: de juryvoorzitter was vrouw.

Als reactie organiseerde De Balie een symposium over de plaats van vrouwen in de literatuur, aan elkaar gepraat door (je verzint het niet) Maarten van Rossem. In de kranten verschenen wat stukken die de achterstelling van vrouwen aankaartten. Vaak lieten de online reacties zien hoe hopeloos het was. Zo schreef een anonieme lezer uit Almelo in Trouw dat iedereen wist dat vrouwen niet konden schrijven.

Het klonk als de oprisping van iemand die je nooit met een mooie roman (v/m) zou betrappen. Maar diezelfde geluiden vielen tot voor kort ook te beluisteren in kringen van schrijvers, in het café en op het Boekenbal. Op kantoren wordt geroddeld, dus waarom zou het in de literatuur anders gaan? Een uitgever van een fonds vol vrouwelijke bestsellers vatte het samen toen hij eens zei dat zijn schrijfsters niet voor de eeuwigheid schreven. Maar ze wisten de tijdgeest wel goed te verwoorden.

De geschiedenis wordt nog steeds geschreven alsof de literatuur een land is waarin alleen mannen wonen.

Geen uitgever plakt zo’n sticker op zijn boeken: ‘Voor de eeuwigheid.’ Toch blijft het een belangrijk criterium, wil een boek serieus worden genomen. Lijkt het op een boek dat we vroeger lazen? Deze afweging slaat vaak uit in het voordeel van mannelijke auteurs, want die zijn sterker geneigd zich te modelleren op voorgangers die geschiedenis hebben gemaakt.

De meerderheid van het leespubliek is vrouw, maar de geschiedenis wordt nog steeds geschreven alsof de literatuur een land is waarin alleen mannen wonen. Een roman over een vader en zoon die met elkaar in het reine komen, de Vatersuche, heeft meer status dan wanneer een vrouw schrijft over drie generaties vrouwen. Homerus had het al over vaders en zonen. In de beste literatuur vervullen vrouwelijke personages slechts bijrollen. Moeder, hoer, slachtoffer, seksbom.

Lolita is een van de plekken die een hij-schrijver aandoet op zijn tocht naar de top. Nabokov schreef zijn meesterwerk in de vroege jaren vijftig, maar er verschijnen nog steeds klonen omdat het de brontekst is voor de gedachte dat een vrouw alleen een lustobject is. Lolita is een schitterend boek, maar het heeft ook, onbedoeld, misogynie in de bloedstroom van onze literatuur gebracht, op dezelfde manier als Goethe’s Werther zelfmoord hip maakte. Voorlopig zal geen enkele recensent het bij zulke boeken hebben over „lichtgewicht mannelijke wissewasjes.”

Weinig titels werden vorig jaar met zoveel gejuich ontvangen als de brieven van Nanne Tepper, de schrijver die in 2012 uit het leven stapte. De brieven gingen over porno, Teppers ‘legendarische’ optreden met een amateurbandje in Groningen, lang geleden, en zijn mateloze verering van, u had het al geraden, Nabokov. Iedereen die ooit een jongen met literaire dromen was, kon er wat in herkennen, behalve degenen die nooit jongen waren geweest, of die een beetje moe werden van al dat borstgeroffel. Tepper ruste in vrede, maar zijn werk was vooral een teken hoever je het kunt schoppen in onze literatuur met het syllogisme van de puberteit: heldenverering, angst voor vrouwen en zelfvergroting.

Je kunt de rest van je leven alleen vrouwen lezen en je geen dag vervelen.

We kunnen zulke bluf grote literatuur noemen, maar we kunnen het ook onderbrengen in de subcategorie Mannelijke Achterhoedegevechten, net als Ilja Leonard Pfeijffers woede dat de Leidse leerstoel Grieks nu door een vrouw wordt ingenomen (Brieven uit Genua), of zijn weigering, in deze krant, om Jessica Durlacher een schrijver te noemen. Voor hem is ze ‘de dochter van een schrijver’, want iedereen weet toch dat vrouwen niet kunnen schrijven?

Uit de achterhoede kan prachtige literatuur komen. Proust, Mann, alle grote modernisten van een eeuw geleden verzetten zich al tegen hun tijd. Ook tegen de bedreiging van schrijvende vrouwen. Honderd jaar later moet je van goeden huize komen om hier nog een sprankelend verhaal van te maken. Want tegelijkertijd eist een nieuwe lichting vrouwen haar plaats op met de energie van een generationele doorbraak zoals we lang niet hebben meegemaakt. Terwijl veel critici bezig zijn met vergeten klassiekers en postume uitgaven – het veilige verleden! – beleven we een van de opwindendste momenten in onze literatuur.

Sinds het schandaal van 2006 is er een groep schrijfsters gedebuteerd die nieuwsgierig de wereld intrekt, intellectueel sterk is onderlegd en vurige boeken schrijft. Daar draait het allemaal om. Niña Weijers, Nina Polak, Hanna Bervoets, Bregje Hofstede, en nog een paar schrijfsters die hun eigen stem laten horen, over zo’n breed front dat niemand het ooit nog kan hebben over vrouwelijke wissewasjes. Je kunt de rest van je leven alleen vrouwen lezen en je geen dag vervelen.

Zou dat een goed idee zijn? Voortaan lezen zoals het in het zwembad gaat? Aparte hokjes? Het is strijdig met hoe de literatuur in elkaar zit. Vrouwen snappen dat. Die hebben altijd alles gelezen. Mannen die hun pik achterna gaan en Simone de Beauvoir. Naast elkaar. Lezen is een manier om het leven te leren kennen, en niet alleen om je aan helden te spiegelen, zoals veel mannen doen. Daarom zou het goed zijn als mannen meer vrouwen lazen. Niet als een exotisch uitstapje, maar om te kijken hoe het eruit ziet in de andere helft van de wereld.