Column

Leven willen we, met alles wat erbij hoort

Ik loop buiten, de mussen proberen onder dakpannen te kruipen, spreeuwen zijn te opgewonden om nog normaal te kunnen sputteren, overal worstelt allerlei groen zich boven – tadadadaaa! Voorjaar! De rouw is er even niet. De stem die zei: „Ik ben aan het doodgaan” – even weg. Nee, niet weg, zelfs niet op afstand zoals ik soms denk. Opgenomen in het geheel van wat leven is.

Je moet, zeg ik tegen mezelf, dankbaar zijn voor wat je is gegeven. Of je nu een adres hebt voor die dankbaarheid of niet. Bij leven hoort ook verliezen. Maar dat klinkt te veel als ‘verarmen’. Ook de verliezen hebben iets gebracht, niet door het verlies, maar door wat er vóór lag.

Ah joh. Loop je weer te preken. Denk je dat koolmezen zo tegen elkaar zitten te redeneren? Ze leven gewoon.

„Halsstarrige trouw aan het doorleed’ne boet men/ Door nooit meer boven ’t zuigende moeras//Van wat werd afgedaan zich te verheffen”, schreef S. Vestdijk aan het eind van de oorlog in zijn Mnemosyne in de bergen. Tegenwoordig zegt men: We moeten verder met ons leven. Dat geeft toch minder houvast dan Vestdijk: „Dit is een raadsel dat wij verleerd waren:/ Dat liefde geen veilig bezit alleen,// Doch ook een prijsgeven is van ’t geliefde.”

Wat denk ik vaak aan die regels. Ik weet nooit of ik ze helemaal begrijp, want wat ís het prijsgeven van het geliefde? Het loslaten nu het er niet meer is, denk ik, zonder de liefde te verloochenen.

Clichés zeggen we tegen elkaar en onszelf, omdat iets echts zeggen vaak zo moeilijk is. Dankbaar zijn klinkt melig. Zeggen: je hebt die liefde, die vriendschap, die aanwezigheid toch gekend, is ook al zo braaf. Nog erger zijn dingen als: het hoort er nu eenmaal bij.

Bah. Maar het hoort er wél bij, en op een vreemde manier kun je een volheid in het leven voelen niet zozeer ondanks, als wel met inbegrip van verlies. Dat kan zelfs bij grote rampen. Etty Hillesum schreef steeds weer, in 1941 en ’42, terwijl ze zag wat er op haar en de haren afkwam: dat ze in zichzelf tóch alle rust en vrede had, dat ze tóch het leven lief had, dat boven de smalle straat zich tóch de hele hemel spande.

Ik denk net zo vaak aan het gedicht ‘Een versie van de gebeurtenissen’ van Wislawa Szymborska, waarin ze zich voorstelt dat er zielen, vanuit de eeuwigheid, zouden kunnen nadenken of ze belangstelling hadden voor het leven op aarde „De geboden lichamen zaten ongemakkelijk/ en sleten lelijk.” Er zijn eigenlijk weinig pluspunten. „Van ter inzage overgelegde/ individuele lotgevallen/ verwierpen we het merendeel/ met afgrijzen en verdriet.”

De zielen kijken naar de aarde en zien er het leven bezig, een plant die zich aan een rots vastklampt, een klein dier dat zich uit een hol graaft „met een inspanning en hoop die ons bevreemdden”. De zielen vinden zichzelf dan toch wel wat erg kleingeestig. De meesten gaan op weg. Leven willen ze, met alles wat erbij hoort.

Al is dat makkelijker gezegd dan gedaan. Bij ‘alles wat erbij hoort’, hoort ook dat afgrondelijke gevoel van ‘nooit meer’.

Niet aan denken.

De merels weten niet dat straks veel van hun eitjes en jongen verloren zullen gaan. Wij wel. Maar wie zou ze daarom willen weerhouden? We verheugen ons integendeel in al dat geleef om niet. Szymborska: „We werden overvallen door twijfel/ of we door alles bij voorbaat te weten/ werkelijk alles wisten.”

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.