Interview

‘Ik was bang dat ze erachter kwamen wie mijn vader was’

Isabel van Boetzelaer (55) ontdekte als kind dat haar vader bij de Waffen-SS had gezeten. Terwijl de familie van haar moeder fel anti-nazi was. Voordat het te laat was, wilde ze het hele verhaal horen. „Voor mijn vader was het een bevrijding.”

Isabel van Boetzelaer, barones van Boetzelaer, is de dochter van een nazi. Haar vader, Willem baron van Boetzelaer, in 1920 geboren in Utrecht, meldde zich al in mei 1940 aan bij de Waffen-SS en vocht tegen de Russen aan het Oostfront. Na zijn terugkeer – een wonder dat hij het overleefd had – trad hij in dienst van de Sicherheitspolizei in Den Haag. Zijn taak was de bestrijding van roofovervallen. Die waren nogal eens het werk van verzetsstrijders. Zes van hen vielen mede door zijn toedoen in handen van de Duitsers en werden gedood.

Maar haar moeder, Ingrid von der Recke, geboren Von Alvensleben, kwam uit een familie die fel anti-nazi was. Háár vader, ook oude adel en een veteraan uit de Eerste Wereldoorlog, droeg zijn rechterarm in een mitella om te voorkomen dat hij de Hitlergroet moest brengen. Hij was bevriend met de mannen rond graaf von Stauffenberg die in juli 1944 een aanslag op Hitler pleegde. Daarna werd hij wekenlang gemarteld in nazigevangenis Plötzensee.

Als klein meisje had Isabel van Boetzelaer daar allemaal geen idee van. Ze werd in 1961 geboren op landgoed Boschveld, bij Arnhem, waar haar ouders zich na hun huwelijk in 1958 hadden teruggetrokken, een jaar nadat ze elkaar hadden leren kennen. Ze waren beiden in weelde opgegroeid – denk Downton Abbey – en nu beheerden ze een kampeerterrein. Haar vader, „een rustige, stille man, niets kon hem uit zijn evenwicht brengen” – werkte hele dagen in het bos. „Ze wilden eigenlijk geen kind meer, ze hadden allebei al een zoon uit een eerder huwelijk. Maar toen ik er eenmaal was, waren ze blij met me. Ik heb een fijne jeugd gehad.”

Op school waren er kinderen die niet met haar mochten spelen.

Ze was een jaar of zes toen ze begon te voelen dat haar ouders en zij uitgestotenen waren. Op een reünie van de Van Boetzelaers – ze wist niet eens dat haar vader zoveel familie had – wilde haar moeder haar voorstellen aan een paar tantes en ooms. „Ze draaiden zich om en liepen weg.” Op school waren er kinderen die niet met haar mochten spelen. Toen ze bruidsmeisje zou zijn bij het huwelijk van haar vaders halfbroer, werd er op het laatste moment een brief bezorgd: de vader van de bruid wenste geen SS’er bij de plechtigheid. Haar ouders probeerden het haar uit te leggen, maar ze was te jong om het te begrijpen.

De schaamte begon toen ze een jaar of vijftien was en in Arnhem de oorlogsfilm A Bridge too Far werd opgenomen waar jongens uit haar klas in figureerden. Bij geschiedenis kregen ze beelden van de concentratiekampen te zien. Twee jaar later werd op televisie de serie Holocaust uitgezonden, met Meryl Streep in de hoofdrol. „Ik dacht: als mijn vader in de kampen gewerkt heeft, kan ik niet meer met hem in één huis wonen.” Op Boschveld kregen ze een steen door de ruit.

Om haar een beetje gerust te stellen liet haar moeder haar het vonnis lezen dat de rechters na de oorlog over haar vader hadden geveld. Dat luidde levenslang, nadat eerst de doodstraf tegen hem was geëist. Dat hij vrijwillig in vreemde krijgsdienst was getreden werd hem zwaar aangerekend, en ook dat hij „ten voordeele van de vijand” in de rang van S.S. Unterscharführer werkzaam was geweest bij de Sicherheitspolizei. Maar met de Jodenvervolging had hij niets te maken gehad. Uiteindelijk had hij twaalf jaar in de gevangenis gezeten, van 1945 tot 1957.

Daarna liet Isabel van Boetzelaer de zaak rusten. Ze vertrok naar Amsterdam om een balletopleiding te volgen en danste vier jaar bij Het Nationale Ballet. Toen ze rugklachten kreeg, ging ze communicatiewetenschap studeren. Ze vond een baan in de reisbranche. „Al die jaren”, zegt ze, „was ik bang dat mensen erachter zouden komen wie mijn vader was. Andere vaders en grootvader hadden allemaal zogenaamd in het verzet gezeten, of op z’n minst voedselbonnen gestolen voor ondergedoken Joden. Toen ik studeerde was er één meisje, ook van adel, dat mijn verhaal kende. Zij heeft nooit iets gezegd. Ze is een van mijn beste vriendinnen geworden.”

In de crisis van 2008 raakte Isabel van Boetzelaer haar werk kwijt. Ze besloot Duits te gaan studeren en docent te worden, maar het duurde een paar maanden voor ze kon beginnen. In die tijd zag ze de film The Pianist van Roman Polanski, over een Joodse pianist die het getto van Warschau overleefde. „Een krankzinnig verhaal”, zegt ze. „En toen dacht ik: mijn ouders hebben ook zo’n krankzinnig verhaal.” De volgende dag was ze in de trein gestapt en naar ze toegegaan, in Baden-Baden, waar ze inmiddels naartoe waren verhuisd. Ze wilde nu alles horen, van henzelf, voordat het te laat was.

Voor mijn vader was het een bevrijding. Hij was al ziek en wist dat hij er niet meer zou zijn als het boek zou verschijnen.

Ze bleef een week logeren, schreef op wat ze gehoord had, ging weer terug, deed onderzoek in het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging – „mappen vol verslagen van het justitieel onderzoek tegen mijn vader en over de rechtszittingen” – en ging weer terug. Ze maakte er uiteindelijk een boek van: Oorlogsouders, een familiekroniek over goed en fout in twee adellijke families.

Wilden haar ouders haar alles vertellen? „In het begin waren ze verbaasd”, zegt ze. „Maar ze wilden het graag. Voor mijn vader was het een bevrijding. Hij was al ziek en wist dat hij er niet meer zou zijn als het boek zou verschijnen. Mijn moeder vond het sowieso heerlijk om te praten. Zij is heel anders dan mijn vader, sprankelend, vrolijk, sociaal. Niet iemand die zich eronder laat krijgen.”

Willem van Boetzelaer had Ingrid von der Recke leren kennen op een paardenevenement in Keulen, kort nadat hij vrij was gekomen. Hij leende haar zijn programmaboekje en werd meteen verliefd. Haar viel vooral op dat hij zich zo buitengewoon beschaafd gedroeg. De volgende dag gingen ze uit wandelen, Ingrids zoontje Matthias was mee. Zij had zich na de oorlog, op haar eenentwintigste, in een huwelijk met een losbol gestort. Willem was getrouwd geweest met de dochter van Harmen Westra, de NSB-burgemeester van Den Haag. Die was van hem gescheiden toen hij zijn straf uitzat.

Voordat Ingrid met hem bij haar ouders durfde aan te komen liet ze het vonnis over Willem van Boetzelaer in het Duits vertalen. Ze wilde weten waarvoor hij veroordeeld was. „Als hij een sadist was geweest”, zegt Isabel van Boetzelaer, „of iets met de kampen te maken had gehad, was ze niet met hem getrouwd.” Dat hij had gevochten aan het Oostfront, daar konden Ingrid en haar ouders wel inkomen. „Daar kon je van zeggen dat er een ideaal achter zat. Voor de adel waren de communisten een groot gevaar.”

Willem van Boetzelaer had zijn dochter vroeger al eens verteld hoe de Duitse soldaten in de Oekraïne waren ingehaald als bevrijders. Stalin had in de jaren dertig miljoenen mensen opzettelijk uitgehongerd. Isabel kende ook het verhaal van haar vaders vriend die, toen ze onder vuur lagen, had geroepen dat dit de hel was, „und das an meinem Geburtstag”. De woorden waren zijn mond nog niet uit of hij werd doodgeschoten, door een Russische soldaat. De kogel ging dwars door zijn hoofd .

Haar vader had de pech, zegt ze, dat hij op het verkeerde moment in de verkeerde kringen zat.

Pas toen haar vader oud en bijna stervende was vertelde hij haar over de Russische soldaat die door zijn kameraden zwaargewond in een aardappelveld was achtergelaten. Het was zomer en ongewoon warm, Willem hoorde hem ‘zhazhda, zhazhda, piti, piti’ kermen. Dorst, dorst, drinken, drinken. Zijn uniformjas en aan flarden geschoten ingewanden waren één bloederige massa. Hij was niet te redden. Wat moest Willem doen? Zijn veldfles was bijna leeg, het dorp was ver. Hij liep om de jongen heen – die lag op zijn zij – en verloste hem uit zijn lijden. „Mijn vader vertelde dat hij hem graag te drinken had gegeven”, zegt Isabel van Boetzelaer. „Maar dan had hij hem niet meer durven doden.”

In haar boek is ze niet zachtzinnig over haar vader. Hij was schuldig, schrijft ze, en zijn straf was terecht. Maar ze schrijft ook over Willems vier jaar oudere en bewonderde stiefbroer Wiete, die zich aan het begin van de oorlog bij de verzetsgroep ‘Piet van de Veluwe’ had aangesloten. Hij was verliefd op het zusje van een van de leiders. In september 1944 deed hij mee met de aanslag bij Putten op vier Duitse officieren, onder wie – was het idee – de hoogste Duitse politiechef.

De volgende dag waren alle mannen uit Putten weggevoerd. Ze werden in Duitsland tewerkgesteld. Van de 661 keerden er 49 levend terug. Wiete werd vlak voor de bevrijding op de vlucht doodgeschoten. „Wat als hij wat meer invloed op mijn vader had gehad?”, zegt Isabel van Boetzelaer. „En wat als Willem in mei 1940 niet al verliefd was geweest op de dochter van de NSB’er Westra?” Haar vader had de pech, zegt ze, dat hij op het verkeerde moment in de verkeerde kringen zat.