Huisartsenpost herkent mishandeld kind zelden

Kindermishandeling

Een screening bij de eerste hulp en huisartsenpost helpt nauwelijks tegen kindermishandeling, blijkt uit onderzoek.

Ouders die met hun kind bij de huisartsenpost komen, of op de eerste hulp in het ziekenhuis, worden ook beoordeeld op kindermisbruik. De artsen gebruiken daarvoor verplicht een screeningslijst met vragen over het kind, de verwondingen en de ouders.

Die screening is echter onbetrouwbaar en helpt nauwelijks bij het opsporen van kindermishandeling, schrijft arts-onderzoeker Maartje Schouten in het proefschrift waarop ze donderdag in Utrecht promoveert. Schouten adviseert de checklijst wel te gebruiken, maar als middel om artsen bij de les te houden. Zodat ze blijven denken aan de mogelijkheid van kindermishandeling, als ze een kind met blauwe plekken, brandwonden of vreemde botbreuken, of een kind dat emotioneel en psychisch uit balans is in hun spreekkamer krijgen.

De Nederlandse richtlijn voor opsporen en aanpak van kindermishandeling schrijft screening voor op de eerste hulp en bij een huisartsenpost. Daar is de kans een mishandeld kind aan te treffen groter dan bij de huisarts, op school of op een kinderdagverblijf. Ouders of verzorgers die een kind mishandelen, hebben de neiging om de eigen huisarts te ontwijken. Ze gaan bij voorkeur naar een anonieme huisartsenpost. Naar schatting 13 op de 1.000 kinderen in Nederland worden mishandeld. Dat kan met lichamelijk geweld, maar ook door verwaarlozing, vernedering of het eisen van onhaalbare prestaties.

Schouten onderzocht de afname van een veelgebruikte screeningslijst, bij 50.671 kinderen. Dat waren alle kinderen (jonger dan 18 jaar) die in een jaar tijd bij de vijf huisartsenposten in de regio Utrecht kwamen. Op basis van de screeningslijst vermoedden de artsen kindermishandeling bij 108 kinderen. In de tien maanden erna zijn 9 van die 108 gemeld bij Veilig Thuis, de organisatie waar kindermishandeling wordt gemeld.

Schouten berekende op basis van een steekproef uit de 50.563 kinderen waarbij de screening geen mishandeling uitwees, dat 478 daarvan uiteindelijk alsnog als mishandeld bij Veilig Thuis werden aangemeld.

Vanwege dat grote aantal gemiste mishandelingen en het grote aantal onterechte vermoedens van mishandeling adviseert Schouten de screeningslijst vooral te gebruiken als geheugensteun om de (overigens wettelijk verplichte) meldcode kindermishandeling niet te vergeten.

Voor die geheugensteun hoeft de screeningslijst ook geen vijf vragen lang te zijn. Twee volstaan, laat Schouten zien. De ene is of het letsel van het kind past bij de leeftijd van het kind en bij het verhaal over de toedracht van het ongeluk. De tweede vraag is of de arts een gezonde interactie tussen ouders en kind ziet. De vragen die net zo goed achterwege kunnen blijven, zijn: of ouders snel hulp zochten voor hun kind, of het kind al vaker een verwonding heeft gehad, en of de ouders doeltreffend hebben gereageerd.

Schouten „betwijfelt of het überhaupt mogelijk is een betrouwbaar screeningsinstrument te maken”, schrijft ze in het laatste hoofdstuk van haar proefschrift. Ze denkt dat huisartsen beter dan de huisartsenpost kindermishandeling kunnen onderkennen. Huisartsen kennen de gezinsomstandigheden. De meeste meldingen komen overigens uit ziekenhuizen en het onderwijs. Voor huisartsenposten en eerste-hulp-afdelingen ziet Schouten meer in aparte vragenlijsten voor bijvoorbeeld blauwe plekken en botbreuken.