Recensie

Oostpools ‘Meeuw’ is afstandelijk en onevenwichtig

Regisseur Marcus Azzini kiest een artificiële vorm die ten koste gaat van Tsjechovs geraffineerde psychologie.

Daniël Cornelissen (l.), Anne Raadsveld en Sigrid ten Napel in Een Meeuw. Foto: Sanne Peper

Het is misschien wel Tsjechovs mooiste, Een Meeuw, uit 1896. Grote verwachtingen, familieleed, gefnuikte liefdes, geknakte levens. Een generatiedrama, met aan de ene kant de aandoenlijke Kostja en Nina: hij de vurige aspirant-schrijver wiens eerzucht groter is dan zijn talent, zij de aanstormend actrice die begeerte verwart met erkenning.

Aan de andere kant staan Arkadina (Kosja’s moeder) en haar vriend Trigorin: gevierd actrice en schrijver. Arkadina is een onvervalste, ouder wordende diva, in voortdurende strijd met de tijd, Trigorin de tragische schrijver die zich ondanks zijn succes al te bewust is van zijn tekortkomingen. Hij compenseert zijn innerlijke leegte met destructieve verliefdheden. Om dit vierspan heen cirkelen nog Masja en Medwenko, een jong, ongelukkig koppel, en de oudere Sorin en Dorn, wier levens zo goed als voorbij zijn.

Verheugend dus, een nieuwe Meeuw in regie van Marcus Azzini, die zijn gevoel voor menselijk onvermogen al vaker fraai theatraal vorm wist te geven. Hij stelde een cast samen waar iedere theaterliefhebber zijn vingers bij aflikt, met Ariane Schluter als Arkadina, Vincent van der Valk als Kostja, Martijn Nieuwerf als Trigorin, en Peter Bolhuis als de somber voortschuifelende Sorin.

Het kleurrijke, grafische decor van Theun Mosk en de prachtige, net iets aangezette kostuums en pruiken van Lotte Goos creëren bovendien een oogverblindend geheel, als een modereportage in Vogue. Met zulke ingrediënten, zou je bijna denken, kan een voorstelling niet meer mis gaan.
Toch wel.

Uitvergrote speelstijl

Azzini kiest een uitvergrote, sterk vormelijke speelstijl, om de artistieke ambities van de personages te onderstrepen. Ook als ze niet ècht optreden, spelen ze een rol. Vooral in het begin werkt dat gegeven geestig, met name bij Nina en Kostja, die continu wisselen tussen echte en ‘gespeelde’ dialoog. De stukjes die ze samen opvoeren illustreren mooi hun gedeelde droom: Zij worden Kunstenaars! - en zijn tegelijk een aandoenlijke vorm van kinderspel.

Vreemd is dat Azzini dit stijlmiddel onevenwichtig toepast: de ene acteur speelt uiterst gestileerd (Anne Raadsveld als Masja), de ander juist naturel (Bolhuis). De rest van de cast bungelt daar wat tussen, of wisselt tussen stijlen. Het lijkt of Azzini niet voluit voor de vervreemding durfde te gaan, met als resultaat vlees noch vis.

Wanneer het stuk een meer tragische wending neemt, schiet de karikaturale speelstijl bovendien tekort. Het houdt de personages op afstand, en staat inleving in de weg. Vanaf dat punt zakt de veelbelovende voorstelling onherroepelijk in.

Sublieme timing

De sterke acteurs zorgen nog voor lichtpuntjes, waarbij met name Nieuwerf mooie scènes heeft – Trigorin is slecht, maar kan het ook niet helpen, wat hem toch weer deerniswekkend maakt. Lof verdienen ook de ontroerend geestige Bolhuis, en de jonge Daniël Cornelissen, die onherkenbaar vermomd als de stokoude Dorn met sublieme timing steeds opnieuw de komische noot verzorgt.

Maar al met al komen Tsjechovs geraffineerde psychologie en existentiële thematiek in deze losgezongen, artificiële vorm uiteindelijk onvoldoende overtuigend over.