Column

Nasi-geur

Ik botste bij het verlaten van Chinees Indisch Restaurant Blue Lotus in Velp op een vriendin van lang geleden die er net als ik had afgehaald. Zij, abonnee op deze krant, las de columns die ik over mijn bejaarde moeder schreef met bovengemiddelde interesse.

Ze kende mijn moeder uit de tijd dat ze bij mooi weer in een badpak met bloemen op een stretcher in de achtertuin lag. Ze herinnerde zich wel meer: dat mijn moeder altijd appeltaarten bakte of had gebakken en dat ze bezoek het liefst helemaal volpropte met haar baksels omdat wij dat allang niet meer lusten. Maar bovenal herinnerde ze zich de meedogenloze humor waarmee we elkaar in dat rijtjeshuis bestreden. Hoe we als legbatterijkippen vochten om elke vierkante centimeter.

„Alles moest benoemd bij jullie. Je moeder die de hele tijd ‘Sssst’ en ‘Denk aan de buren’ riep. Of je vader die keihard ‘En we maken vandaag geen ruzie!’ schreeuwde en dat jij dat dan nadeed.”

Haar mening over mijn stukjes: het was allemaal niet meedogenloos genoeg. „Of ben je met terugwerkende kracht ineens van je ouders gaan houden?”

„En hoe is het met jouw ouders?”, hoorde ik mezelf vragen. „Leven die nog?”

Ze kon er treffend over vertellen. Over dat ze met z’n tweeën buiten de bebouwde kom woonden. Te goed om ze te dwingen om ergens anders te gaan wonen, te dementerend om ze alleen te laten.

Over dat het er naar urine stonk omdat haar vader in de wasbak piste.

Over dat ze ze soms aantrof achter een bord bruine bonen, of met beschimmeld brood omdat ze de supermarkt niet hadden gehaald.

„Ik moet dus wel op bezoek komen.”

Ondanks alles was haar vader er toch in geslaagd om ergens een elektrische fiets te kopen. „Wat knap”, zei ik. „Helemaal niet”, zei zij. „Dat is vragen om ongelukken. Ik heb hem afgepakt.”

Ze hing haar plastic met nasi aan het stuur van wat nu haar elektrische fiets was en zei dat ze het huis van mijn moeder graag wilde ruiken als ik nog een keer iets over haar schreef.

Ik trof mijn moeder in haar nachtjapon boven aan de trap. Ze zei: „Gelukkig, geen inbreker. Jij bent het.”

Twee dagen later belde mijn zus die na mij bij haar op bezoek was geweest. Ze zei dat er weer niks bijzonders was gebeurd, maar dat het er wel naar nasi goreng had geroken.

We vonden dat allebei niet stinken.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.