Opinie

Word wakker, PvdA – en word jezelf

De Partij van de Arbeid heeft haar klassieke waarden verwaarloosd: vaste banen, goede zorg, meer gelijkheid, schrijft .

Waar is het dramatische verlies van de Partij van de Arbeid bij de verkiezingen van afgelopen woensdag aan toe te schrijven? In onze sterk gepersonaliseerde politieke cultuur pleegt daarvoor vooral de lijsttrekker verantwoordelijk te worden gesteld. Daar moeten we de verklaring echter niet zoeken.

Jarenlange samenwerking met een politieke tegenpool, de VVD, zonder op het beleid een sterk stempel te drukken, komt al meer in de buurt. Maar het belangrijkste is: het onvermogen van de huidige PvdA om maatschappijkritiek te verbinden met een wervend en richtinggevend programma. Dat onvermogen manifesteert zich ook in andere politieke stromingen, maar de sociaal-democratie wordt er het meest op afgerekend.

Aan het programma van de PvdA, Een verbonden samenleving, viel – net als aan het optreden van Lodewijk Asscher – vooral de zonnigheid op waarmee op het beleid van het kabinet-Rutte II werd teruggekeken. „Het gaat gelukkig weer de goede kant op met Nederland”, zo werd geconcludeerd. Zeker, er zijn besluiten gevallen die anders waren uitgepakt „als we het alleen voor het zeggen hadden gehad”. Maar er is „gestreden voor verandering, het herstel is aantoonbaar en we zijn verheugd over de resultaten die het verschil maken”.

Daar valt veel op af te dingen. De hardheid van bepaalde ingrepen (inclusief zorg en AOW) blijft voor het gemak buiten beschouwing, terwijl de opbrengst van het beleid veel te gunstig wordt voorgesteld. Neem de groei van het nationaal inkomen en de daling van de werkloosheid in ons land. Wat zijn die precies waard?

Het aantal werklozen in ons land is inderdaad verminderd, maar ligt nog altijd niet veel lager dan toen het kabinet aantrad. Dat noopt toch tot bescheidenheid. En wie de economische groei van de afgelopen jaren aan het gevoerde financiële beleid toeschrijft, moet ook beseffen dat die groei in een land als Frankrijk – waar veel minder bezuinigd is – in dezelfde periode hoger uitvalt.

Internationaal komen steeds meer economen tot de conclusie dat een hard bezuinigingsbeleid maatschappelijk en economisch schadelijk is, zowel in crisistijd als bij voorzichtig economisch herstel. De netto-overheidsinvesteringen in de meeste economieën van de eurozone schommelen rond het nulpunt. In een tijd van economische slapte, oordeelde Financial Times-columnist Martin Wolf onlangs, is dat „dwaasheid”. Waarom heeft de PvdA dat niet aan de orde gesteld?

Minstens zo belangrijk is de vraag welke groepen van die groei hebben geprofiteerd. Volgens econoom Paul de Beer geldt dat bijvoorbeeld maar zeer ten dele voor de arbeidsgehandicapten in ons land. Tijdens de crisis verloren maar liefst 250.000 van hen hun baan. Het kabinet denkt dat in 2026 de helft weer werk zal hebben. „Dat kun je”, schreef de Beer eind vorig jaar in Trouw, „een lage ambitie noemen”. Daar komt bij dat van de 20.000 mensen uit deze groep die weer aan de slag konden, de grote meerderheid voorheen bij een sociale werkplaats werkte. En die werkplaatsen heeft het kabinet zelf gesloten. Is dit nu een voorbeeld van wat in het PvdA-programma wordt bedoeld met de zin: „Het herstel is aantoonbaar en we zijn verheugd over de resultaten die het verschil maken”?

Nu stelt elke regeringspartij bij het naderen van de verkiezingen dergelijke resultaten wel eens wat te rooskleurig voor. Maar het probleem is dat het gekozen voorbeeld niet op zichzelf staat. In de sociale-markteconomie die na de Tweede Wereldoorlog in ons deel van de wereld tot ontwikkeling kwam, deelde vrijwel iedereen in de welvaartsgroei. Niet steeds in gelijke mate, maar zoals het in die tijd werd uitgedrukt: „a rising tide lifts all boats”.

Die situatie is met de opmars van een financieel, winst-gefixeerd kapitalisme drastisch veranderd. De economie kent steeds meer winnaars en verliezers – afhankelijk van je opleidingsniveau en je positie op een arbeidsmarkt die in de ‘lagere’ regionen steeds meer door schrale beloningen, losse contracten en deeltijdwerk wordt gekenmerkt. Intussen heeft de vermogensongelijkheid recordhoogten bereikt.

In die omstandigheden wordt de globalisering door steeds meer mensen ervaren als een instrument ten dienste van de rijken en machtigen. Zoals de Europese Unie steeds meer de boodschapper is geworden van vrijhandel, van liberalisering en flexibilisering. Zoals sociaal-historicus Jan Luijten van Zanden het zegt: „Van slecht neo-liberaal nieuws”.

Zeker, de financiële crisis die een speculerend bankwezen in 2008 veroorzaakte, werd door overheden bedwongen. Banken werden aan strakkere wettelijke regels gebonden. Maar is dat toereikend om herhaling te voorkomen? En waarom is het financiële kapitalisme in bredere zin, met zijn veronachtzaming van sociale en andere maatschappelijke doelstellingen, buiten schot gebleven? Alsof dat uiteindelijk niet minstens evenveel schade aanricht.

Dat is ook het antwoord op degenen die dit betoog misschien veel te economisch vinden – en van de politiek veel meer aandacht vragen voor, bijvoorbeeld, de noodzakelijke omslag in onze energievoorziening of het voeren van brede, inspirerende cultuurpolitiek.

Het is juist een van haar maatschappelijke ankers losgeslagen economie die het verwezenlijken van ambitieuze doelstellingen op die terreinen in de weg zit. Net zoals groeiende sociaal-economische ongelijkheid en een op snelle, hoge winsten gefixeerd bedrijfsleven de voedingsbodem vormen voor een populisme van de ergste soort. Wat dat betreft zijn er hoopvolle berichten uit Duitsland, waar de verkiezingscampagne van SPD- lijsttrekker Schulz hoog scoort met kritiek op het financiële kapitalisme en met kritiek op de eigen partij die ten tijde van SPD-kanselier Schröder overmatig snoeide in essentiële sociale voorzieningen.

De les die getrokken moet worden uit de zwaarste verkiezingsnederlaag van de PvdA ooit, is in ieder geval helder: maak er weer een sociaal-democratische partij van.