Romanschrijver met een leven in novellen

Foto Reuters

‘Een verhaal is alleen van belang als het mensen zich doet verwonderen’, zegt een van de personages in de roman Het licht (Ljuset, 1987) van de Zweedse auteur Torgny Lindgren. De roman speelt zich af in het barre noorden van Zweden in een soort mythische Middeleeuwen, dood heerst alom. En toch is de toon van het boek licht, onderkoeld en zelfs humoristisch. Met deze stijlkenmerken bouwde Lindgren aan een groot en indrukwekkend oeuvre.

Vrijdag is hij op 78-jarige leeftijd overleden in Stockholm. Lindgren geldt als een van de pijlers van de Zweedse literatuur. Zijn werk is wereldwijd vertaald en hij ontving belangrijke literaire prijzen als de Zweedse Augustprijs en de Prix Femina. Hij was lid van de Zweedse Academie.

Lindgren werd op 16 juni 1938 in Västerbotten geboren, een geïsoleerde landstreek achthonderd kilometer ten noorden van Stockholm. Het landschap daar en de rauwheid van de mensen die er woonden, vormden voor hem een bron van inspiratie.

Lindgrens boeken zijn fijnzinnig van stijl, zoals het poëtische Hommelhoning (1995) over een vrouw die in de ban raakt van een ruige, ‘dierlijke’ man die in een afgelegen huis woont. In Het licht breekt De Ziekte uit, de pest. Die plaag kan beschouwd worden als de vloek van de moderne tijd: als houvast aan het oude verdwijnt, raken samenlevingen op drift. In Het ultieme recept (2006) vervalt een boerengemeenschap tot wanorde als zich een geheimzinnige vreemdeling aandient.

Lindgren brak in 1982 door met de roman De weg van de slang, nadat hij lange tijd poëzie schreef. Het is het levensverhaal van een oude man, vergelijkbaar met Job, die ongeletterd is maar desalniettemin de taal van de bijbel spreekt. Zijn godsvertrouwen is rotsvast. In de jaren tachtig ging Lindgren zelf over tot de katholieke kerk.

Een van zijn latere boeken is Herinneringen (Minnen, 2010) over een oudere schrijver die op verzoek van zijn uitgever herinneringen moet noteren. De schrijver verzet zich, in de overtuiging dat zijn scheppende tijd voorbij is. Toch noteert hij losse flarden van herinneringen, in een ironische stijl die hij anti-Proust noemt. „Mijn leven bestaat uit novellen”, memoreert de schrijver, „niet uit een grote roman”. Hij noteerde ook: „Het ik is poreus, het is een nevel, een fluïdum, een onbekend gas, een flakkerende kaarsvlam in een beangstigende duisternis”.

    • Kester Freriks