Opinie

    • Karin Amatmoekrim

Kijk in de spiegel en krijg een kleur

Na de verkiezingen rot het populistisch gedachtengoed gewoon door, schrijft . Intussen is het Nederland van haar dochter een land waarin gymnasiasten zowel ras-Amsterdams als allochtoon zijn.

Op de dag van de verkiezingen kwam mijn twaalfjarige dochter thuis uit school, vergezeld door twee vriendinnen. Ze bespraken de mogelijkheid dat de PVV de grootste partij zou worden.

Vriendin 1 (ouders uit Eritrea) zei, vrolijk lachend: „Wat moet ik doen als er straks iemand wint, die alle mensen die hier niet geboren zijn naar hun land terugstuurt? Dan moeten mijn ouders weg!”

Dochter: „Ja, wat ga jij dan doen?”

Vriendin 1: „Geen idee. Ik ga maar mee. Anders ben ik ook maar alleen.” [hard lachen]

Ik (geboren in Suriname): „Als het zover komt, moet ik ook weg.”

Dochter: „Maar papa is in Amerika geboren, dan moet hij ook weg.” [nog harder lachen]

Vriendin 2 (geboren in Thailand): „Dan moet ik ook weg!”

Dochter: „O nee, ik ga je zo missen!” [onbedaarlijk geschater]

Het was in feite een afschuwelijk gesprek dat de meisjes vol licht en lucht voerden, en ik vroeg me af hoe die twee realiteiten naast elkaar kunnen bestaan.

Het Nederland van mijn dochter en haar vriendinnen is het Nederland van nu; een land waarin drie jonge gymnasiasten tegelijk ras-Amsterdammers en allochtoon kunnen zijn. Dat Nederland botst met het onmogelijke idee van een pure, onbesmette nationale identiteit dat centrum-rechtse politici als een oud-Hollandse rookworst voor de neuzen van de kiezers houden. Maar dat is juist een bedachte identiteit die niet alleen onrealistisch is, maar ook een belangrijk deel van de burgers uitsluit.

Het onder een flinterdun laagje beschaving schuil gaande anti-immigranten sentiment vertelt ons dat Nederlanders als mijn dochter en haar vriendinnen er natuurlijk bij mogen horen, mits ze zich gedragen naar de norm die de échte Nederlander stelt. Een norm die niet alleen vage lijnen heeft, maar ook niet voor elke Nederlander even strikt geldt, noch voor elke Nederlander dezelfde consequenties heeft.

Want wie zijn toch die normale mensen waar iedereen het over heeft? Ik vermoed dat de witte man van middelbare leeftijd wordt bedoeld.

Toevallig keek ik laatst op Youtube naar een filmpje met een stel van dat soort Nederlanders. Straalbezopen in een snackbar probeerden ze met een stoel de glazen vitrine in te slaan. Eentje haalde met zijn vuist uit naar de Chinese eigenares – hij miste, want hij was te dronken om goed te mikken. Het was een tragikomisch tafereel, waarbij op de achtergrond de angstige stem van de eigenares te horen was: „Doe normaal! Doe even normaal!”

Het is duidelijk: deze Nederlanders deden niet normaal en ze hadden ook helemaal geen zin om normaal te doen. Ze zagen ook niet de noodzaak zich te gedragen. Want net als de voetbalhooligan die de staat miljoenen euro’s aan schade kost en de corpsbal die consequent en binnen de gedragsnormen van zijn corps vrouwelijke studenten uitmaakt voor slet en hoer, weten dronken lorren als de mannen in het filmpje dat, óók als ze nooit van hun leven meer normaal doen, zij niet het nadrukkelijke verzoek krijgen op te pleuren naar een ander land.

Een expliciete boodschap die jonge Nederlanders als mijn dochter en haar vriendinnen feilloos oppikken.

De Nederlandse verkiezingen lagen onder een internationaal vergrootglas omdat het de politieke richting van het Europese continent zou voorspellen. Er klonk gejuich, want Nederland zou het populisme een halt toe hebben weten te roepen. De onheilspellend heldere belofte die Geert Wilders in de aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen deed, namelijk dat hij schoon schip zou maken, wordt misschien toch niet zo snel ingelost. Waarover we opgelucht mogen zijn.

Maar op het schip dat Nederland heet, rot het populistische gedachtengoed verder door. De uitslag van deze verkiezingen is helemaal geen nederlaag voor het populisme. Hij bewijst alleen dat het extreem-rechtse gedachtengoed van Wilders cum suis de norm is geworden. Keurige mannen die de mond vol hebben van waarden als respect en gelijkwaardigheid, zijn vol trots afgedaald naar het populistische niveau van de persoon die ze alleen in theorie bevechten.

De verkiezingsuitslag toont dat Nederland pragmatisch genoeg is om niet uit de EU te willen stappen en nuchter genoeg om geen al te radicale keuzes te maken, want aan ons lijf geen polonaise. Maar het toont vooral ook dat bij de overweging welke partij ‘ons’ het best vertegenwoordigt, discriminerende campagneretoriek voor de Nederlandse kiezer geen dealbreaker is gebleken. Dat is vooral problematisch omdat een belangrijk en groeiend deel van onze eigen Nederlandse gelederen gekleurd is. Met een bevolkingssamenstelling als de onze is het inlijven van rechts-extremistisch populisme een vorm van zelfhaat.

De Nederlandse identiteit die VVD, PVV en CDA met succes hun kiezers hebben voorgehouden, is een conservatief verlangen naar een verleden tijd. Maar tijdmachines bestaan niet – dat kan elk twaalfjarig kind ons vertellen.

De sprookjesidentiteit van een smetteloos geweten en zuivere tolerantie waarin Nederland zo hartstochtelijk wil geloven, bestaat evenmin. Het is een wankel en onrealistisch zelfbeeld dat ons wil ontslaan van zoekende, wringende, botsende gedachten over wie we ooit waren en wie we aan het worden zijn.

Het Nederland dat zich heeft getoond bij de verkiezingen wil het niet hebben over fluïde identiteiten, over kruisbestuivingen en een nieuwe wereld van mondige allochtonen die hetzelfde recht eisen als hun witte landgenoten om succesvol te zijn of om doodgewone klootviolen te wezen, maar ondertussen altijd Nederlander te blijven.

Dat deel wil dat de nationale identiteit afgemeten wordt aan de ‘gewone’ witte man. Maar die is geenszins van plan zijn positie als norm waaraan wij ons allemaal moeten aanpassen, op te geven. Dat deel van Nederland is weliswaar machtig gebleken in de verkiezingen, maar is ook compleet wereldvreemd en verstoken van kennis van het eigen land en de relatie die dat land met de buitenwereld heeft. Het echte Nederland, buiten de wensdromen van deze politieke leiders, komt op dit moment tot wasdom. Dat deel besefte dat er bij deze verkiezingen iets wezenlijks op het spel stond, iets dat in de kern van onze samenleving besloten ligt en beschermd moet worden.

Het toonde zich in talloze initiatieven, opgezet door organisaties en bedrijven die grote aanhang hebben onder jongeren. Muzikanten als Jiggy Djé en Massih Hutak, maar ook modebedrijven als FreshCotton, Daily Paper en Patta, kunstenaars als Piet Parra en platenlabel Topnotch – allemaal riepen ze hun omvangrijke achterban op om te stemmen en het land te redden van de koers die het in dreigt te slaan. Dat jonge, multiculturele en kosmopolitische deel van de Nederlandse identiteit laat zich zien in de zetels voor progressieve partijen: Partij voor de Dieren, Groenlinks, DENK, D66.

De identiteit van Nederland toont zich in dat tegenstrijdige samenspel van ideologieën; een Nederland dat terug wil naar de tijd van vóór de Zwarte Pietdiscussie, en een Nederland dat daar allang niet meer mee bezig is omdat ze verandering accepteert als een onvermijdelijke kracht. Dat laatste, jongste deel is het Nederland dat ik woensdag in mijn keuken zag rondscharrelen. We kunnen ons afvragen hoe Nederlands deze meisjes mogen zijn, wat het ingelijfde populisme betekent voor hun zelfbeeld en in hoeverre zij zich nog betrokken voelen bij Nederland. Maar hoe hard we er ook over nadenken en erover ruziën, de realiteit van hun aanwezigheid in dit land verandert niet. Zij zijn niet het Nederland dat zichzelf kunstmatig probeert te definiëren aan de hand van half verzonnen en deels verheerlijkte tradities. Zij zijn simpelweg het gezicht dat we zien als we nu in de spiegel kijken.

    • Karin Amatmoekrim