Cultuur

Interview

Interview

‘Ik lijd aan zelfontevredenheid’

Erik Jan Harmens schreef eerst een boek over zijn eigen probleem – alcoholisme – en daarna over dat van zijn zoon – autisme. Er is een verband, blijkt bij een broodje hummus.

Dubbend staan we tussen de tafeltjes. Waar zullen we eens zitten? Erik Jan Harmens (46), dichter en schrijver, laat mij beleefd de keuze. Daar?, aarzel ik. Hij koerst af op de aangewezen tafel, maar buigt af als hij mij ‘nee, toch daar’ hoort zeggen. Grappig, zegt hij als we zitten. „Normaal zit ik altijd dáár.” Hij gebaart naar de tafel achter hem, in de schaduw van de trap. Hij zit er doorgaans rond het middaguur. ’s Ochtends heeft hij dan thuis zitten schrijven, ongeschoren, ongewassen en onaangekleed. En dan komt hij hier om wat hij geschreven heeft te vijlen en polijsten. „Gedoucht en met kleren aan”, haast hij zich te zeggen, voor het geval ik dat niet al begreep.

Zijn nieuwste roman, Pauwl gaat over een 34-jarige man met autisme. Paul heet hij, maar hij hoort mensen het uitspreken als ‘Pauwl’. Hij woont in gezinsvervangend tehuis De Driemaster, heeft een reptiel als huisdier en werkt bij de plantsoenendienst. Eén dag leeft de lezer met hem mee. Een dag die als altijd om 05.30 uur begint, maar die om 7 uur, bij het ontbijt, al behoorlijk tegenvalt. De begeleider heeft wederom verzuimd de smeerkaas eerder uit de koelkast te halen opdat die op kamertemperatuur kan komen en dus beter smeerbaar is. Vervolgens blijkt Pauls reptiel zoek, ontbreekt hem de tijd om naar de wc te gaan, is zijn routine verstoord en naarmate de dag vordert, wordt hij bozer en bozer en dreigt er kortsluiting in zijn hoofd.

Erik Jan Harmens voelt compassie met Paul, zegt hij. „Ik snap zijn woede wel. De dag begint met 1-0 achterstand, tegenslag volgt op teleurstelling en aan het eind van de dag staat de teller op -50. Het vat raakt vol. Terwijl, hoe moeilijk is het? Als zijn omgeving nou een klein beetje meer rekening met hem zou houden…”

Paul wekt ook irritatie op, zeg ik. Hij heeft overal last van, verwacht begrip van de ander, maar het blijft eenrichtingsverkeer want zelf begrijpt hij weinig van wat er in de ander omgaat. Harmens: „Hij heeft natuurlijk een beperking. Voor iemand met autisme is het leven een worsteling.” Zou Paul hier zitten, zegt Harmens en wijst op de ons omringende ruimte waarin mensen praten, koffiemachines bonen malen, en boxen geluid produceren. Dan wat? „Het zou hem zwaar vallen hier een gesprek als dit te voeren.”

De hersenen van mensen met autisme werken anders, zegt hij. De informatieverwerking verloopt anders, sociale interactie is problematisch, gesproken taal is moeilijk te begrijpen. „Al die oppervlakkige gesprekjes die mensen voeren, waarin ze net iets anders bedoelen dan ze zeggen, Paul kan daar niks mee.”

Veel ellendiger wordt het niet

Erik Jan Harmens had eigenlijk in 2012 al een boek willen schrijven over autisme. Maar toevallig verscheen dat jaar Heb je blij? van zijn ex-vrouw Gitta Veraart. Een boek over hun autistische zoon Julian, nu 16. Toen is hij eerst maar Hallo muur gaan schrijven, over zijn burn-out, echtscheiding, de dood van zijn vader en een aantal vrienden, en over zijn alcohol- en rookverslaving. Het begon zo rond zijn vijftiende met een kratje bier op een schoolreisje, later betekende een gezellig avondje niet één, niet twee, maar vijf flessen wijn drinken. Dat noemde hij dan levensgenieten.

Vanaf 2000 is hij, zegt hij, extreem veel gaan drinken. Niks problematisch, vond hij toen, dat hoorde gewoon bij het schrijverschap. „Camus, Serge Gainsbourg, al mijn grote voorbeelden dronken flink. Ik rookte zelfs dezelfde sigaretten als zij.” Blauwe Gitanes. In de tussentijd was Julian geboren, die autistisch bleek. „In mijn hoofd had ik het beeld van mijzelf en mijn gezin, picknickend op het strand in Zeeland. Een perfect plaatje. In de praktijk lag Julian in foetushouding in de duinen urenlang zwijgend zandkorrels door zijn vingers te zeven. Hij heeft het plaatje niet stuk gemaakt, wel anders.”

We bestellen thee en brood met hummus en groenten. Na de alcohol en sigaretten heeft hij ook vlees afgezworen. Hij vertelt over de jaren dat hij elke avond dronk tot hij out ging. Maar niemand die iets aan me merkte, zegt hij. Denkt hij. Hij had een fulltimebaan – als corporate writer en speechschrijver, daarnaast schreef hij poëzie en boeken, en pas als iedereen naar bed was, pakte hij z’n flessen. Hij rilt als hij terugdenkt aan die periode. „Ik zie de scène nog voor me. Mijn dochter zit in de auto. Julian heeft een impuls die ik niet begrijp en weigert in te stappen. En ik die hem met geweld de auto in sta te duwen. Boos, gefrustreerd. Zo triest.”

Hij viel zichzelf tegen als vader? Hij knikt van ja. En als schrijver, dichter, winnaar van poetry slams? „Als ik ergens optreed, en ik verspreek me. Dat is… Dat is heel moeilijk.” Want dat moet ook perfect? Hij knikt weer. „Ik lijd nogal aan zelfontevredenheid.” Dronk hij soms om dat niet te voelen? Hij haalt z’n schouders op. „Wat er in me omgaat en waarom, is voor mij ook een black box. Daar ga ik voor naar een psycholoog.”

In 2012 was hij van zijn drankverslaving af, maar zijn huwelijk ging alsnog stuk. Hij eerst op een matrasje weer bij zijn moeder thuis, daarna huurde hij een stacaravan in Den Ilp. „Veel ellendiger wordt het niet.” Over hoe hij „kapot ging” en de moeite die het hem kostte om overeind te komen en weer te leven „in het licht”, daarover gaat Hallo muur. Wat geschreven was als „tussendoorboek”, werd een bestseller. „Mijn grootste angst toen ik gestopt was met drinken, was dat ik niks meer zou voelen. Dat alles vlak zou zijn en ik niet meer zou kunnen dichten en schrijven.” Het tegendeel is waar. „Ik ben een stuk productiever nu ik de late avond en de vroege ochtend erbij heb om te werken.” Voorheen was hij dan te dronken of te brak.

Hij kan niet zeggen dat hij nu als niet-drinker „oprecht en zuiver” leeft. „Zo werkt het niet helaas. Ik mis het wel degelijk.” De drank die tongen losmaakt en sociale codes ontsluit. „Ik heb zelfs een Crossing Border-festival nuchter gedaan. Na afloop liep ik naar mijn hotel, langs het café waar de afterparty was. Achter de beslagen ramen zag ik alle andere schrijvers juichend aan het bier.” En toen? „Toen ben ik maar op mijn hotelkamer Ice Road Truckers gaan kijken.” Een Canadees-Amerikaans programma over vrachtwagenchauffeurs die zich op glibberige winterwegen wagen.

Dus, vat ik samen, hij schreef eerst over zijn eigen probleem, alcoholisme en nu over zijn zoons probleem, autisme? Ja, zegt hij. Maar toch is het geen boek óver zijn zoon, ook al heeft de hoofdpersoon net als hij PDD-NOS, een verzamelnaam voor uiteenlopende autismevormen. „Julian heeft vanaf het begin meegelezen en alles wat hem betrof uit de tekst gesloopt. Hij vond: of het boek gaat over hem, of het is fictie. Daar had hij gelijk in.”

Opa had ook autisme

In hoofdpersoon Paul komen de autistische trekjes terug die Harmens van anderen uit zijn omgeving kent. „Mijn opa had vast ook autisme. Veertig jaar verzamelde hij NCRV-gidsen in zijn schuurtje, hij moest en zou drie kwartier eerder bij de bushalte staan. Als wij op bezoek kwamen, ging hij rustig fietsen en zag je hem de hele dag niet meer.” Eigenaardige man, maar wel gewoon getrouwd en kinderen. „In die tijd lagen de eisen anders. Een man hoefde niet te praten over zijn gevoelens of invoelend te zijn. Hij sloeg niet, zeurde nooit, hij verdiende een best salaris als timmerman en dat was goed genoeg.”

Het lukt Harmens de aandacht te trekken van de jongen in de bediening. Koffie? Graag. Met zijn zoon gaat het goed, beantwoordt hij mijn vraag. „Lang stond ik in de beschermstand, als een blazende zwaan. Maar ik moet aan het idee gaan wennen dat hij veel zelfstandiger is dan we ooit voor mogelijk hielden.” Meer dan trots: „Dit weekend stond hij op een podium in Groningen zijn eigen gedichten voor te lezen.”

Zelf vindt Harmens dat ook een heerlijke plek, het podium. „Ik in het licht, de zaal donker. Totaal geen last van zenuwen. Ik heb de controle.” Spreken voor een groot publiek is véél makkelijker dan die één-op-één-gesprekjes die een mens zo vaak moet voeren. „Ik woonde voorheen in een woonwijk. Verschrikkelijk. Het gevoel dat iedereen op je let. Sleep ik de groene afvalcontainer naar buiten, zegt de buurman: het moet vandaag de grijze wezen. Dat gevoel van paniek vanbinnen. Dat je iets leuks moet zeggen. Wat moet de volgende zin zijn? Wanneer loop je weer door? Dan hoop je bijna dat er plotseling een auto langs scheurt. Dan kun je ‘maniak’ roepen of een grap maken, en is het gesprek gered.” We zwijgen even. „Dat soort sociale interactie vind ik gewoon heel lastig. Ik ben jaloers op hoe makkelijk sommige mensen kletspraatjes maken over niks.”

Ken je die film Falling Down?, vraagt hij. Die waarin acteur Michael Douglas op een snoeihete dag in de file staat, uitstapt, zijn auto achterlaat, een geweer koopt en vervolgens iedereen waar hij last van heeft, afknalt? Die bedoelt hij. „Die opgekropte boosheid, dat snap ik wel.” Elk net niet lekker verlopend praatje, elk onhandig geformuleerde zin, elke misgelopen ontmoeting. Voor hem betekent het een optelsom van kleine mislukkingen. „Nu het boek af is…”, denkt Harmens hardop.

„Er zit toch meer van mij in Paul dan ik dacht.” Dus hij heeft ook…? „Aspecten van autisme?” Hij stelt zichzelf de vraag of dat dan erg is. Om zichzelf vervolgens te antwoorden. „Dat is niet heel erg, nee. Behalve dat mijn leven er eenvoudiger uit had gezien als ik dat eerder had geweten.”