Zo zijn de zetels én de restzetels over de partijen verdeeld

De uitslag staat zo’n beetje vast, maar hoe maak je eigenlijk van een lijst met stemmentotalen een echte zetelverdeling?

Foto Jerry Lampen / ANP

Hoewel Nederland voor nieuwe en kleine partijen een van de meest toegankelijke kiessystemen ter wereld kent, is het nog een heel gedoe om van lange lijsten van uitgebrachte stemmen de echte verkiezingsuitslag te maken. En het resultaat is lang niet altijd duidelijk. Hoe kan het bijvoorbeeld dat D66 met 12 procent van de stemmen 19 zetels haalt, terwijl 12 procent van 150 zetels 18 is? En hoe werkt het eigenlijk met die lijstcombinaties? We nemen de stappen zoals die zijn vastgelegd in de kieswet een voor een door.

Stap 1: de stemtotalen

Het begint allemaal met de uitslagen, ingedeeld naar de partijen. Die leveren het volgende beeld op:

Vier partijen zijn een lijstverbinding aangegaan: de Partij van de Arbeid met GroenLinks, en de ChristenUnie met de SGP. Die verbindingen zijn van begin af aan al belangrijk. Daarom tellen we de stemmen van de partijen die een verbinding zijn aangegaan, direct bij elkaar op. Pas helemaal op het eind worden de zetels binnen de lijstverbindingen alsnog verdeeld en kan worden berekend hoeveel zetels de partijen hebben gekregen.

Stap 2: de kiesdeler en de volle zetels

Nu we de uitslagen op een rijtje hebben, en de lijstencombinaties hebben opgeteld, kunnen de zogenoemde “volle zetels” worden toegekend. Een partij krijgt een volle zetel voor iedere keer dat de kiesdeler wordt gehaald. Dus die moeten we eerst uitrekenen.

Na woensdag zijn 10.485.743 stemmen geteld. De kiesdeler is de waarde van een Kamerzetel in stemmen. Dit jaar werden 10.485.743 geldige, niet-blanco stemmen uitgebracht. Gedeeld door 150 Kamerzetels komt de kiesdeler zo op ongeveer 69.905 stemmen.

Op basis van de kiesdeler komen we tot de volgende verdeling van volle zetels:

Stap 3: verdeling van de restzetels

Nu alle volle zetels zijn uitgedeeld, zijn er nog acht zetels over. Die zogenoemde restzetels worden verdeeld in acht rondes - een voor iedere restzetel.
Bij de Tweede Kamerverkiezingen kunnen alléén partijen die de kiesdeler hebben gehaald (dus minstens één zetel) aanspraak maken op een restzetel. Die restzetel gaat naar de partij met het grootste gemiddelde.

Het grootste gemiddelde is het aantal stemmen dat een partij nodig gehad zou hebben voor die ene restzetel. Om het grootste gemiddelde te berekenen worden de stemmen die een partij behaald heeft gedeeld door een optelsom van de behaalde volle zetels, eventueel eerder behaalde restzetels én de restzetel die te vergeven is. De partij met de hoogste uitkomst en die dus het dichtst bij de 69.905 stemmen zit die nodig zijn voor een volle zetel heeft het grootste gemiddelde en krijgt die restzetel toebedeeld. Deze som wordt acht rondes herhaald, omdat er ditmaal acht restzetels te vergeven zijn.

In deze grafiek zie je de gemiddelden bij de verdeling van alle acht restzetels. De partij met het hoogste gemiddelde staat steeds bovenaan, en krijgt de restzetel.

Na acht ronden zijn alle zetels verdeeld. Zoals in de grafiek te zien is, gaan de restzetels niet per definitie naar de grootste partijen, of naar de partijen met het grootste stemmenoverschot. We hebben nu de volgende uitslag:

Een aantal partijen heeft geprofiteerd van dit systeem met restzetels. Zo heeft D66 met 12 procent van de stemmen 19 zetels binnengehaald, terwijl 12 procent van 150 zetels 18 stemmen zou zijn.

De reden dat sommige partijen een lijstverbinding aangaan, is dat ze zo hun kans op dit soort gelukjes vergroten. Bij deze verkiezingen hebben de verbindingen overigens op de einduitslag geen invloed gehad. Vaak is dat wel het geval.

De kans is groot dat lijstverbindingen in de toekomst worden afgeschaft. De Tweede Kamer heeft daar onlangs voor gestemd. De Eerste Kamer moet zich er nog over buigen.

Kijk ook: hoe worden restzetels verdeeld?

Stap 4: zeteltoekenning na de lijstverbindingen

Om tot de uiteindelijke verkiezingsuitslag te komen, moeten de zetels binnen de lijstverbindingen nog verdeeld te worden. Tot nu toe zijn de zetels voor de partijen met een lijstverbinding, verdeeld op basis van het aantal bij elkaar opgetelde stemmen en is het nog niet te zien hoeveel zetels de individuele partijen hebben behaald. Om tot een verdeling tussen deze partijen te komen, gaat dat ongeveer net als bij de verdeling van de zetels over de andere lijsten. Verschil is dat de twee partijen samen in ieder geval verzekerd zijn van het totaal aantal zetels dat ze in totaal behaald hebben: PvdA en GroenLinks 23, ChristenUnie en SGP 8.

Bij de berekening wordt een soort nieuwe kiesdeler vastgesteld: de combinatiekiesdeler. Die deler is het totale aantal stemmen dat de combinatie heeft behaald, gedeeld door het behaalde aantal zetels en restzetels. Die is dus voor iedere lijstcombinatie anders.

Bij deze verkiezingen was de combinatiekiesdeler voor GroenLinks en PvdA 67.506,696 en voor ChristenUnie en SGP 63.874,889. Opnieuw worden eerst de volle zetels toegekend.

Anders dan bij de toekenning van de restzetels wordt binnen lijstencombinaties niet gekeken naar de gemiddelden, maar naar de overschotten. De partijen hebben zich met een deel van hun behaalde stemmen al verzekerd van een aantal zetels. Als die stemmen afgetrokken worden van hun totaal, blijft er nog wat over. De partij met het grootste overschot krijgt de restzetel.

Voorwaarde voor de combinatie is overigens wel dat de partijen ook op eigen kracht een zetel behaald zouden hebben. Als dat niet het geval is, wordt die partij uit de combinatie buiten beschouwing gelaten.

Dit alles leidt tot de volgende verkiezingsuitslag: