Column

Wat zien we nu eigenlijk in het brein?

Hersenscans tonen subtiele afwijkingen bij mensen met adhd. Maar is die afwijking ook de stoornis?

Laatst werd mijn aandacht getrokken door een kop in Trouw: ‘Peperdure hersenstudie adhd levert niks op’. Hm. Interessant. Het krantenstuk bleek de ergernis van de Groningse orthopedagoge Laura Batstra te verwoorden. Ze reageerde op een wetenschappelijk artikel dat de dag ervoor was gepubliceerd in het toonaangevende wetenschappelijke tijdschrift Lancet Psychiatry.

Ik zocht het artikel erbij. De auteurs beschrijven met trots hoe ze een ‘cross-sectionele mega-analyse’ uitvoerden op hersenplaatjes van 1713 mensen met adhd en 1529 gezonde controles. Inderdaad een omvangrijke analyse, waarbij de data van maar liefst 23 instituten bij elkaar gelegd. Het is daarmee een uitzonderlijke (inter)nationale samenwerking. De hersenplaatjes (verkregen met magnetic resonance imaging of MRI) lieten zien dat acht diep gelegen hersengebieden bij adhd qua volume kleiner zijn dan bij mensen zonder die diagnose. De onderzoekers tonen zich in hun stuk verheugd met het resultaat, want ze maken zich zorgen dat adhd nog steeds gezien wordt als synoniem voor ‘moeilijk kind’ of als het gevolg van een gebrekkige opvoeding. Dat is stigmatiserend, vinden ze. Artsen moeten ouders aan de hand van de nieuwe studie nu het echte verhaal gaan vertellen: adhd is ‘gewoon’ een hersenziekte; in die zin niet anders dan een zware depressie, schizofrenie of een bipolaire stoornis.

Onzin, vindt Batstra. De resultaten zijn verwaarloosbaar en misleidend. Het onderzoek geeft aan dat hersenvolumes bij adhd maar zeer minimaal verschillen van de ‘gezonde’ situatie. En dat beetje verschil is er ook nog slechts uitsluitend op groepsniveau. De studie zegt weinig tot niets over de individuele adhd’er. Geen wonder dat de onderzoekers zoveel mensen moesten includeren voor hun studie: een beetje minder groots (en dus minder duur!) en ze hadden het effect gemist. Interessant genoeg zijn de onderzoekers het eens over het onderwerp stigmatisering: ook Laura Batstra is benauwd om de patiënt. Een ‘hersenziekte’… dat is nogal wat.

Tja, wat moeten we hier nu van maken? De niet-wetenschappelijk geschoolde lezer snapt er niks meer van. Is adhd nou wel of geen hersenziekte? Wie heeft er gelijk? Als ik zelf een gooi mag doen dan denk ik dat de kibbelende partijen allebei een beetje (on)gelijk hebben.

De studie toont wel degelijk aan dat er reële, zij het zeer subtiele, afwijkingen in de hersenen van mensen met adhd bestaan. Wat daarvan de oorzaak is of hoe belangrijk die verschillen zijn is niet duidelijk. We moeten ons dus afvragen of we adhd puur aan de hand van de gemeten MRI-verschillen een ‘hersenziekte’ kunnen noemen. Dit soort afwijkingen op MRI plaatjes beschrijft mogelijk een interessant aspect van de ziekte. Er zijn ook andere aspecten, zoals de meer gedragsmatige of omgevingsaspecten waar Batstra misschien naar zoekt.

Ook in mijn eigen vakgebied worden MRI-beelden bestudeerd en ook wij zeggen dan wel eens over zichtbare afwijkingen dat het ‘typisch MS’ of ‘typisch Alzheimer’ is. Maar het is slechts typisch een aspect van die ziekten. De aandoening zelf verdient een bredere analyse. Hersenonderzoekers maken zich schuldig aan neurorealisme of neuro-essentialisme. We doen alsof aandoeningen pas ‘echt’ iets zijn als ze op een MRI-plaatje te meten zijn. Of we maken zelfs de vergissing dat de gemeten afwijkingen dan ook de aandoening zelf ‘zijn’. In plaats van, bijvoorbeeld, datgene wat de patiënt ervaart, of diens omgeving, of diens arts.

Er liggen aanzienlijke conceptuele en ethische vraagstukken te sudderen in de neurowetenschappen. Ik vind dat de moderne hersenonderzoeker zich beter moet gaan scholen in de filosofie om die vraagstukken op te pakken. Kijk naar bovenstaand adhd voorbeeld. Wat is eigenlijk ziekte? Wat is (voldoende) effect? Omdat die punten niet helder zijn, lijkt er ineens een kloof tussen onderzoekers te bestaan.

Afgelopen februari stelden we binnen mijn afdeling een hoogleraar filosofie van de neurowetenschappen aan, een nieuwe discipline in Nederland. In zijn inaugurele rede legde de nieuwe professor Gerrit Glas zijn plannen uit. Plannen om de neurowetenschapper te helpen met verwarring ten gevolge van vage concepten, interdisciplinaire samenwerking en de (ach, ik gebruik de term ook maar eens) ‘tsunami’ aan nieuwe technologieën. Immers, elke week verschijnen er duizenden nieuwe artikelen met fancy-schmancy methodes om door te dringen tot in de diepste krochten van het brein. Aangezien niemand al die nieuwigheid nog in zijn veelheid kan bevatten, ontstaan er al snel verschillende scholen die iets heel anders meten met hetzelfde gereedschap. Daar wil Gerrit aan werken. Hij analyseert ook de causale claims van hersenonderzoekers. Vinden we nou echt ‘oorzaken’ van ziektes of beschrijven we hooguit zeer gedetailleerd wat er in de tijd gebeurt? Dat is niet hetzelfde. Ik vind het allemaal razend interessant. „Ach, dat is toch allemaal maar haarkloverij”, zei een collega na Gerrits rede en rolde met zijn ogen. Nou ja, interessante haarkloverij dan toch. Beter nadenken over basale concepten helpt ruzies in de krant te voorkomen. En het kost niks!

Jeroen Geurts is hoogleraar translationele neurowetenschappen aan het VU medisch centrum in Amsterdam.