Recensie

Hoe Nederland Amerika probeerde te veroveren

De blik naar binnen heeft niet gewonnen, maar wel winst geboekt. Die ontwikkeling staat in schril contrast met hoe het was ten tijde van de ‘VOC-mentaliteit’.

National Gallery of Arts, Washington D.C.

Het ging om goud. Om gouden bergen, om goudmijnen, om rivieren met goud, kortom om El Dorado. Ergens in de Nieuwe Wereld lag dat voor het opscheppen, dat hadden de Spanjaarden aangetoond. En zij beheerden ook nog eens de zilvermijnen in Potosí in Bolivia. Maar de Nederlanders, die er van af het eind van de 16de eeuw naar zochten, hebben het nooit gevonden. Wel ontwikkelden ze een reeks vestigingen in Noord- en Zuid-Amerika en in het Caraïbisch gebied. Daar hielden zij zich bezig met de verbouwing van suikerriet, koffie en cacao, met de handel in beverhuiden en het verbouwen van graan.

Goud vonden ze aan de andere kant van de Atlantische Oceaan, in West-Afrika. Ze ruilden dat, evenals ivoor en later slaven, voor allerhande Europese waren, zoals koperwerk, geweren, kogels, kruit, en sterke drank. Goud vonden ze soms ook op Spaanse schepen die uit Amerika naar Sevilla zeilden waar ze de oorlogskas van de Spaanse koningen moesten spekken.

In dit reusachtige deel van de aarde, tussen Amerika, Afrika en Europa speelde Nederland enkele decennia, zo van 1620 tot 1660, een cruciale rol. Die rol is het thema van het nieuwe boek van de in Amerika werkende Nederlandse historicus Wim Klooster. Hij voorziet daarmee in een lacune. In de overzeese geschiedschrijving heeft de Nederlandse aanwezigheid in Azië namelijk veel meer aandacht gekregen dan de handel op en de kolonisatie in de West.

Het tij is al lang aan het keren, niet in de laatste plaats door het onderzoek naar slavenhandel en slavernij. Artikelen, monografieën en dissertaties verschijnen bij de vleet; archieven die hierop betrekking hebben worden gedigitaliseerd. Degenen die klagen over een ‘vergeten hoofdstuk’ lopen echt tientallen jaren achter.

Veel van die studies handelen over één kolonie, over één thema of over één spectaculaire overzeese expeditie. Wim Klooster geeft in zijn boek een gedegen en zeer leesbaar overzicht van alle tot dusver bestudeerde aspecten van die Nederlandse aanwezigheid in Amerika en in West-Afrika, vanaf het eind van de 16de tot het midden van de 17de eeuw. Hij steunt daarbij op indrukwekkende hoeveelheden wetenschappelijke literatuur, op geschreven bronnen en allerhande drukwerk zoals kranten, pamfletten en liedjes. De auteur heeft zijn best gedaan om door middel van saillante citaten die bronnen ook te laten spreken.

Dominantie

In de behandelde periode viel het ‘Dutch moment’, een periode waarin min of meer planmatig gewerkt werd aan die Nederlandse dominantie. Daarbij legt Klooster een sterk accent op de Braziliaanse periode, die vooral bekend is geworden omdat Johan Maurits van Nassau in zijn mecenas-rol zo’n indrukwekkende gouverneur is geweest. Naar Brazilië zijn in de onderhavige periode verreweg de meeste soldaten gestuurd met alle geldverslindende effecten van dien.

Tegelijkertijd relativeert Klooster het belang van de Nederlandse vestigingen in Noord-Amerika aan de Hudson. Die vindt hij overschat, waar wel wat inzit wanneer we moeten geloven dat ‘wij’ daar de democratie hebben geplant, terwijl het in werkelijkheid een moeizame, labiele vestiging is geweest met het latere New York als centraal stadje, bewoond door Engelsen, Duitsers, en ook, inderdaad, Nederlanders.

Het boek komt in de eerste hoofdstukken met zijn politiek-militaire uiteenzettingen wat stroef op gang. Klooster behandelt hier de strategie van de Nederlanders in hun strijd tegen de Spanjaarden, Portugezen, Engelsen en inlandse bevolkingsgroepen. Handel en kolonisatie waren daarbij nog allerminst een doel. Wat de Nederlanders daar op zee en op die Amerikaanse kusten deden, was het bestrijden van Spanjaarden en Portugezen.

Ook de in 1621 opgerichte West-Indische Compagnie (WIC) was allereerst een vechtorganisatie. Kaapvaart stond voor dat bedrijf centraal. Wanneer de vijand systematisch op de Atlantische route werd aangevallen en de schepen met Amerikaans goud en zilver werden onderschept, dan kreeg Spanje problemen met de betaling van zijn krijgsmacht. Omgekeerd kon Nederland met die buit zijn oorlogsinspanningen verhevigen. Met het geld van de door Piet Hein veroverde zilvervloot bijvoorbeeld werd de belegering en de inname van ’s-Hertogenbosch bekostigd.

Langzaam maar zeker bleek dat naast acties op zee ook territoriale veroveringen tot lucratieve ondernemingen konden leiden. Er ontstond een visioen van een imperiale Nederlandse macht in heel Amerika die de rol van de Spanjaarden en Portugezen zou beëindigen. In Brazilië vochten de Nederlanders aanvankelijk de Portugezen de tent uit. Men leerde suikerplantages te bestieren en hier vandaan werd hout geëxporteerd dat, eenmaal geraspt, rode verfstof opleverde. In Noord-Amerika bleek de handel in beverhuiden goed te verlopen en trok men kolonisten aan om graan te verbouwen. In het Caraïbisch gebied veroverde men verscheidene eilanden en op de noordkust van Zuid-Amerika, de zogeheten Wilde Kust, werden kleine kolonies gesticht.

Hierna behandelt Klooster het leven op schepen, militaire posten en plantages, de moeizame migratie en het harde kolonistenleven aan de overzijde van de oceaan. Ook komt het aandeel van buitenlanders binnen de Nederlandse activiteiten aan de orde, alsmede de trans-Atlantische handel en de rol van religie, met name de anti-katholieke sentimenten.

Het boek wint aan levendigheid wanneer Klooster in deze hoofdstukken dieper ingaat op de mensen die het avontuur op of overzee waagden. Wie waren ze? Waarom gingen ze? Wat wisten ze eigenlijk van Brazilië. Wat las men er over in kranten en pamfletten?

Op die laatste vraag gaat een ander recent verschenen boek, Amsterdam’s Atlantic. Print Culture and the making of Dutch Brazil van hoogleraar zeegeschiedenis in Leiden Michiel van Groesen dieper in. Na het lezen van Kloosters boek blijven drie zaken hangen. Ten eerste de betrekkelijkheid van het woord ‘Dutch’. Het initiatief en de sturing van het hele Atlantische project ging uit van Nederland en van Nederlanders. Maar de uitvoering ervan door soldaten, matrozen en kolonisten was alleen mogelijk dankzij grote aantallen buitenlanders.

Wreedheid

Ten tweede vallen de gewelddadigheid en wreedheid op waar de Atlantische strijd mee gepaard is gegaan. En ten derde schetst dit boek de onmogelijke taak waartoe Nederland zich geroepen voelde. Het Groot Desseyn, zoals het Atlantische project destijds heette, een visioen van Nederlandse Atlantische imperiale macht, was gedoemd te mislukken. Aan ambitie ontbrak het niet, en ook niet aan successen. In 1642 stond dit imperium op zijn hoogtepunt. Wat wel ontbrak waren geld en manschappen.

In Brazilië bleven de gevechten met de Portugezen aanhouden. De pracht en praal van Johan Maurits maakten indruk en is nog steeds niet vergeten, maar verslond kapitalen. In 1654 capituleerde de Nederlandse troepen in Brazilië. In 1664, tijdens de Tweede Engelse Oorlog volgde de tweede klap. De Engelsen veroverden Nieuw Nederland. Ook hier was de animo tot militair verzet gering. Bij de hierop volgende vrede bleef dit stuk Amerika in Engelse handen. In ruil daarvoor kregen de Nederlanders de Engelse kolonie Suriname. Zo verkruimelde het Atlantische imperium.

Het plan was te ambitieus. Een centraal Atlantisch gezag, zoals de VOC in Azië haar centrale stad Batavia had, ontbrak. Ondanks herhaalde verzoeken werden er te weinig troepen naar Brazilië gestuurd, en voor zover die er wél aankwamen werden ze slecht gevoed en gekleed, en bezweken ze bij bosjes aan de malaria en de gele koorts. Wat daar nog bijkwam: ze ontvingen hun soldij te laat, gedeeltelijk of zelfs helemaal niet.

Geen wonder dat de animo tot vechten verdween en de soldaten zich tamelijk snel aan de Portugezen overgaven. Schrijnend is het hoofdstuk waarin Klooster beschrijft hoe de teruggekeerde soldaten nog jaren moesten bedelen bij de Staten-Generaal om hun achterstallige soldij. Duizenden zijn met een kluitje in het riet gestuurd.

Een ander structureel probleem, zowel in Brazilië als in Nieuw Nederland, was het gebrek aan kolonisten. Ondanks propagandistische pamfletten die een paradijselijk bestaan voorspiegelden dienden zich maar weinig kolonisten aan. En voor zover ze kwamen, waren ze afkomstig uit stedelijke gebieden en beschikten ze over weinig landbouw-ervaring. Behouden bleven Suriname en enkele kolonies ten westen daarvan, enkele Caribische eilanden en een aantal handelsposten in Afrika. Van hieruit zou de slavenhandel op Amerika zich ontwikkelen.

Klooster behandelt deze hele geschiedenis op een zakelijke toon, zonder fanfare wanneer het om Nederlandse successen gaat, zonder gejammer over de verliezen.

Had het anders kunnen lopen? Was Nederland in staat geweest om een Braziliaans en een Noord-Amerikaans koloniaal territorium in stand te houden?

Waarschijnlijk niet. Er waren gewoon te weinig mensen om effectief als militair, zeeman of planter de zaak overeind te houden. Nederlanders die, gedreven door armoede, schulden of avontuurzucht er op uit trokken gingen liever naar de Oost. Een langere reis, dat wel, en ook met reusachtige risico’s, maar wel met meer kansen op een succesvol leven. Aan die keuze konden de wervende pamfletten van de West-Indische Compagnie, die repten van ‘groote conquesten’ en van Nieuw Nederland als het land van melk en honing niet tegenop.