Interview

‘Over een tijdje is zelfmoord iets heel gewoons’

Jeroen Brouwers

Zijn beroemde boek over zelfmoordenaars in de literatuur is in een nieuwe editie meer dan verdubbeld in omvang. Brouwers las er al het werk van de suïcidale auteurs op na. ‘Psychiaters zouden mijn boek moeten lezen’, zegt hij tijdens een interview bij hem thuis.

Jeroen Brouwers: ‘Je hebt schrijvers die door zelfmoord wereldberoemd denken te worden’ Foto Ans Breys

‘De schrijver pleegt trage zelfmoord’, zegt Jeroen Brouwers spottend over zichzelf als hij zijn zoveelste sigaret opsteekt. We zitten in de bibliotheek van zijn witte huis in het Belgische Lanaken, waar hij sinds anderhalve maand woont. In de boekenkasten de hele wereldliteratuur, van Louis Paul Boon en Hölderlin tot Tsjechov. Op tafel de net per koerier bezorgde nieuwe editie van zijn De laatste deur. Zelfmoord in de Nederlandse letteren, dat voor het eerst in1983 verscheen en diepe indruk maakte.

Het boek is met zo’n 700 pagina’s uitgebreid. Behalve tal van aanvullingen bevatten de twee in linnen gebonden delen essays over recente zelfmoordenaars/schrijvers als Anil Ramdas, Wim Brands, Nanne Tepper, Joost Zwagerman, en excentriekelingen als Ryunosuke Akutagawa, Osamu Dazai, Harry Crosby en Hart Crane. Ook zijn er schrijvers geschrapt, omdat hun zelfmoord bij nader inzien geen zelfmoord was.

„Mijn tijd raakt bemeten en ik wilde het per se aangevuld hebben”, zegt Brouwers (Batavia, 1940). „Ook omdat er sinds 1983 zo ontzettend veel is veranderd met betrekking tot de manier waarop we over zelfmoord en euthanasie denken. Daarnaast hebben tal van schrijvers zich sindsdien van kant gemaakt.”

Het hoofdstuk over Menno ter Braak, die zelfmoord pleegde toen de Duitsers Nederland binnenvielen, is aanzienlijk langer geworden.

„Over Ter Braak heb ik een kleine briefwisseling met W.F. Hermans gevoerd, waarin hij er steeds op hamerde dat Ter Braak zijn vrouw in 1940 in de steek had gelaten zonder zich af te vragen wat er van haar terecht zou komen. Maar uit de biografie van Léon Hanssen uit 2000 blijkt dat Ter Braak zijn voornemen om zelfmoord te plegen heel braaf met zijn vrouw heeft besproken. Hij stelde haar zelfs voor met hem mee te doen, wat zij weigerde. Die zelfmoord was dus weloverwogen geregeld.

„In 1983 bestonden er echter allerlei uiteenlopende theses over. Ter Braak zou om politieke redenen zelfmoord hebben gepleegd; in ballingschap zou hij geen toekomst voor zichzelf hebben gezien; hij zou depressief zijn geweest. Voor mijn boek kon ik toen niets anders doen dan die theses op een rij zetten. Pas dankzij Hanssen kon ik die zelfmoord verhelderen.”

De nieuwe editie oogt als een levenswerk. Hoe lang heeft u eraan gewerkt?

„Alles bij elkaar vijftig jaar. Je moet je goed documenteren en de oeuvres van al die schrijvers lezen. Want wie was in godsnaam Cornélie Huygens? Dat moet je dus uitzoeken en daarom heb ik al haar boeken gelezen. Net zo ging het bij Haverschmidt, Emmens, Arends, Ter Braak, en ga zo maar door. In hun oeuvre zoek ik naar aanwijzingen voor hun zelfmoord. Aanwijzingen die ik dikwijls heb gevonden, maar vaak ook niet. Het lastige is dat je een schrijver niet kunt vragen waarom hij zelfmoord heeft gepleegd.”

In wat u over hen schrijft meen ik een grote mate van sympathie van uw kant te bespeuren.

„Die toon van liefde en empathie zit in mijn hele boek. Ik voel me verwant met ze, hoewel dat niet geldt voor hun daden. Ze zijn allemaal mijn collega’s in de literatuur. Alleen daarom al interesseert hun lot me. Voor iemand als Jan Emmens heb ik grote sympathie opgevat, juist door het lezen van zijn oeuvre.

„Hoogstens kom je een vervelende figuur als Adriaan Venema tegen, een poseur die altijd zielig deed en op zijn 25ste al zei dat hij niet lang meer te leven had. Wat ik in 1983 over hem schreef was niet zo aardig. Ik had het in haast geschreven, omdat het als voorpublicatie nog diezelfde week in de Haagse Post moest verschijnen. Om hem meer recht te doen heb ik nu een post scriptum opgenomen, omdat een jaar na zijn dood in 1993 twee boeken van zijn hand verschenen waarin hij uitlegde dat hij zelfmoord ging plegen omdat hij het beu was opnieuw gekraakt te worden. Als schrijver is Venema nooit serieus genomen. Zijn romans waren bagger en zijn boeken over collaborerende schrijvers in de oorlog staan vol onbewezen geruchten en kletspraat.”

Lastig is dat je een schrijver niet kunt vragen waarom hij zelfmoord heeft gepleegd

U behandelt meer schrijvers die niet zo goed waren. Is er een samenhang tussen zelfmoord en een gebrek aan talent?

„Je hebt schrijvers die door zelfmoord wereldberoemd denken te worden. Het is een cliché dat ik doorprik. Niet de zelfmoord maakt je onvergetelijk, maar het werk dat je hebt geschreven.

„Hebben Willem van Haren of Cornélie Huygens nu zo’n goed werk gemaakt? En Jan Arends? Hij wordt nog wel eens genoemd, maar of hij te vergelijken valt met Bordewijk, die een heel oeuvre heeft nagelaten? Anders is het met Heinrich von Kleist, die zelfmoord pleegde nadat hij een groots werk had voltooid.”

Hoe kwam het eigenlijk in u op om over zo’n luguber onderwerp een boek te willen schrijven?

„In de jaren zeventig maakten een geliefde van me en een paar bevriende schrijvers een einde aan hun leven. ‘Wat is er in hemelsnaam aan de hand?’ dacht ik toen. Zelfmoord bleek in Vlaanderen en Nederland ineens een hype te zijn. Het was een sombere tijd, ook al waren het de dagen van de zogenaamde revolutie. Maar voor zover er al sprake was van een revolutie, dan was die als een ballon over het land weggetrokken.”

Behalve over Kleist, die met een vroegere geliefde de dood introk, heeft u het ook over dubbelzelfmoorden van vrij onbekende schrijvers. Hoe bent u die op het spoor gekomen?

„Neem Gerth Schreiner (een Duits politiek vluchteling die in 1940 een einde aan zijn leven maakte, red.) en zijn vrouw Mies Blomsma. Zijn naam ontdekte ik in het werk van Anton van Duinkerken. Vervolgens heb ik zijn zoon geschreven, die me het levensverhaal van zijn vader vertelde. Schreiner is de enige van wie ik de familie heb benaderd. Ik wilde mijn informatie voornamelijk uit de literatuur halen. Joost Zwagerman deed het anders. Voor zijn boek De laatste hand kwam hij bij me op bezoek vanwege die vroegere liefde van me, die zich op 23-jarige leeftijd had opgehangen.”

De zelfmoord van Joost Zwagerman en Wim Brands behandelt u ook. Kon u het bij hen zien aankomen?

„Bij Brands moet het in hem gezeten hebben. Zo van: ik maak er een einde aan, ik kan er niet meer tegen. Ik keek altijd naar zijn boekenprogramma en zag dat hij steeds minder alert uit zijn ogen keek. Ook werd hij magerder en was hij minder gedreven en enthousiast. Ik had het nog niet gezegd of hij was dood.

„Zwagerman was een levensgenieter, een gretige man, die altijd in zijn handen wreef. Toch moet ook bij hem de gedachte aan zelfmoord al geruime tijd in zijn kop hebben gezeten. Al weet natuurlijk niemand het.”

U heeft in uw boek behoorlijk wat kritiek op psychiaters die zelfmoord proberen te verklaren. Kletsen ze inderdaad maar wat?

„Voor zover ik er verstand van heb wel. En voor zover ik andere schrijvers heb gesproken ook. Maar ik beweer het met een polemische galm.

„Iemand als de psycholoog René Diekstra, die ik in mijn boek noem, heeft onlangs opgemerkt dat van iedere zelfmoordenaar een psychologische autopsie zou moeten worden gemaakt. Onzin. Ze zouden mijn boek moeten lezen, of beter nog, ze zouden literatuur moeten lezen. Maar ik denk niet dat literatuur zo geliefd is bij psychiaters.”

Speelt de Nederlandse, sombere protestantse cultuur een rol bij de zelfmoord van sommige door u behandelde dichters-dominees?

„Me dunkt dat je over de zelfmoord van François Haverschmidt, die zich verhing, kunt zeggen dat die typisch protestants is. Voor protestanten is zelfmoord een doodzonde, een daad tegen God, een moord. Als je je verhangt ga je spartelen; het duurt minuten voor je dood bent. Je legt jezelf een strafmethode op.”

U stelt ook de terminologie met betrekking tot zelfmoord aan de kaak.

„Ze weten van gekkigheid niet wat ze moeten verzinnen. Tegenwoordig heeft men het zelfs over auto-euthanasie. En dan heb je die verzachtende term zelfdoding. Maar als ik jou doodschiet, dan noemen ze dat moord. En als jij jezelf doodschiet, zou het geen zelfmoord mogen heten? Ik ben het daar niet eens. Het is geen zelfdoding, maar zelfmoord. Ik ben taalgevoelig en dat is het juiste woord.

„Om die reden ben ik ook tegen ‘zelfmoord begaan’, want het is ‘zelfmoord plegen’. Maar men wil pijnlijke zaken altijd versluieren. Zo zeggen ze tegenwoordig niet meer ‘in het ziekenhuis opgenomen worden’, maar ‘in het ziekenhuis logeren’. En een doodziek huisdier laten ze ‘inslapen’. Alsof we er anders van zouden schrikken.”

Terug naar die trage zelfmoord. U noemt een paar schrijvers die als gevolg van alcohol of drank zijn overleden, maar u ziet die dood niet als zelfmoord.

„Als alcoholisten zich dood drinken, heeft dat niets met zelfmoord te maken. Net als roken is drinken een verslaving. Er is geen schrijver die een kist whisky leegdrinkt met het doel om zelfmoord te plegen. Iemand als Joseph Roth, die zich dood heeft gedronken, was zelfs moreel tegen zelfmoord.”

Tot slot: blijft zelfmoord een taboe?

„Nee, ik denk dat het over een tijdje iets heel gewoons zal zijn. Daarom steek ik nog een sigaret op.”