Recensie

Hoe extra toevoeging Einsteins formule en leven bedierf

Anders dan Einstein en zijn tijdgenoten aanvankelijk dacht en is het heelal niet statisch, maar zet het uit. Foto NASA/ESA

Zoveel boeken zijn er al geschreven over Einstein – waaronder schitterende – dat je je afvraagt of er nog eentje bij kan. De Amerikaanse non-fictieschrijver David Bodanis vond van wel. Einsteins grootste fout heet zijn boek en dat laat zien hoe Bodanis Einstein bekijkt.

De titel refereert aan een scharnierpunt in Einsteins leven, kort nadat hij in 1915 de formules van zijn algemene relativiteitstheorie op papier had gezet. Het was midden in de Eerste Wereldoorlog. Zijn huwelijk met Mileva Maric lag in scherven. Hij vreesde dat zijn zoons van hem vervreemd zouden raken. Maar het neerschrijven van die vergelijkingen was „de grootste voldoening van mijn leven”, schreef hij aan een vriend.

Ze zijn dan ook prachtig. Elegant en ondanks alle moeilijke wiskunde toch kristalhelder samen te vatten. Wie alle verdere details ook weglaat, zoals Bodanis, komt zelfs uit op een vergelijking met slechts twee letters: G=T. De G links staat voor de geometrie van de ruimtetijd, de T rechts voor de dingen daarin (preciezer: voor massa) die de ruimtetijd laten krommen. Het paste volmaakt bij Einsteins streven om verschillende zaken als twee kanten van één medaille te zien. Om te zoeken naar één overkoepelend concept.

Juist daarom was het zo jammer dat de formule in de jaren daarna een mankement leek te vertonen. Zoals de jonge Russische geleerde Aleksandr Friedmann liet zien, beschreef Einstein een heelal dat niet statisch was, maar dynamisch. Dat kon krimpen of uitdijen. En dat leek in tegenspraak met astronomische waarnemingen.

Einstein had dus geen andere keus, dacht hij, dan om een extra term toe te voegen. Het zou de mooie symmetrie van zijn formule bederven. Maar ‘zijn’ heelal zou weer statisch en onveranderlijk zijn. Precies zoals de meerderheid van de wetenschappers het destijds zag. Maar die meerderheid bleek ongelijk te hebben. De kosmos dijt uit, bleek een decennium later.

Ter verdediging kan je zeggen dat Einstein een echte fysicus was geweest, toen hij de waarnemingen serieus nam. Het gaat er in de natuurkunde immers om de (bekende) natuur te beschrijven. Maar dat hij zijn toevoeging betreurde, staat ook buiten kijf. Zelfs al heeft hij de woorden ‘biggest blunder’ waarschijnlijk nooit in de mond genomen.

Bodanis plaatst de verdere ontwikkeling van Einstein in het licht van die teleurstelling. Want meer en meer raakte de uitzonderlijke geleerde in een wetenschappelijk isolement. „Ik ben begonnen met een sceptisch empirisme” schreef hij in 1938 aan een vriend. „(…) maar door het probleem van de zwaartekracht ben ik iemand geworden die de enige betrouwbare waarheidsbron in wiskundige eenvoud zoekt.” Eens temeer verloor voor hem daardoor ook de quantumtheorie, waaraan hij zelf aanvankelijk zoveel had bijgedragen, zijn glans.

God dobbelt niet, had Einstein zijn kritiek geregeld samengevat. „Hou op God te zeggen wat hij moet doen”, had een van de vaders van de quantumheorie, Niels Bohr, treffend gepareerd. Maar Einsteins reactie was steeds meer om die quantumtheorie te negeren. In Princeton – volgens hem een ‘koddig, plechtstatig provincienest vol stijfpotige halfgoden’ – probeerde hij vruchteloos en eenzaam aan te tonen dat elektriciteit ook een aspect van zwaartekracht en geometrie was.

Bodanis beschrijft het kleurrijk en meeslepend, met treffende citaten, heldere metaforen. Soms is hij wat kort door de bocht, en het is niet altijd helder wat zijn bronnen zijn. Maar hij laat overtuigend zien hoe Einsteins grootste kracht – de koppigheid en eigenzinnigheid die hem unverfroren nieuwe wegen in de natuurkunde liet inslaan – uiteindelijk ook zijn grootste zwakte was. Al is dat relatief natuurlijk. Want wie, naast Newton, heeft de natuurkunde zozeer vooruitgeholpen als Einstein?

    • Margriet van der Heijden