Zestig jaar Fiat 500: hij rijdt nog altijd als een raketje

De Fiat 500 wordt dit jaar zestig. Er rijden nog altijd exemplaren van het originele Fiatje rond. „Ik gebruik ’m als een soort overdekte fiets om de stad in te gaan.”

De Fiat 500, het kleine autootje van ontwerper Dante Giacosa: niemand kon zo magisch woekeren met ruimte. Foto Fiat (jaartal onbekend)

Met zijn 18 pk tweecilinder is de oer-500 een van de zwakste naoorlogse personenauto’s. Maar in de Amsterdamse binnenstad lijkt het rugzakje, zoals zijn bijnaam luidt, met een ervaren Fiat-rijder aan het stuur onverwacht snel. De lage zit verandert Amsterdam met zijn hoog oprijzende boogbruggen in iets achtbaanachtigs. Geen zorgen, zegt bestuurder Harald Bresser, die hoorbaar vaker naderende onrust heeft bezworen. Hij kent zijn 500 als zijn broekzak. „Kijk, zo’n bocht neem je gewoon in z’n drie, hij valt echt niet om.”

En verdomd. Als een raketje.

Dit was Bressers eerste auto, uit liefde aangeschaft, uit liefde behouden. Hij kocht hem in 1986 in Italië voor zo’n 500 gulden, uit de boedel van een fabriek die er twee had staan: de zijne, in rosso corallo – gedekt oranje-achtig – en de donkerblauwe die zijn broer kocht.

Bresser betrapte zijn kinderen al vroeg op een gesprek over de vraag hoe het nou met die auto verder moest als papa er niet meer zou zijn. Er was een tijd dat ze alledrie op het minieme achterbankje pasten. „Twee, vijf, en acht. We hebben er met zijn vijven in gezeten. Al is dat geen feest.”

Bresser heeft de tot 1972 gebouwde L-versie. L staat voor lusso ofwel ‘luxe’, een nogal overtrokken kwalificatie voor een karig pakket van verchroomde sierbeugels op de bumpers en enig chroom rond de ramen. In de L is het dashboard, bij de basis-500 van naakt staal in de kleur van de auto, bekleed. En het meterhuis beschikt over een brandstofmeter. Maar de ruitenwisser heeft nog altijd maar één stand. Met Bressers zegen; de primitiviteit verhoogt zijn schattigheid.

Bresser rijdt er niet veel mee. „Ik gebruik ’m als een soort overdekte fiets om de stad in te gaan.” Want daar blijft hij onverslaanbaar, met zijn lengte van minder dan drie meter en zijn breedte van 1.32, een meter korter en een halve meter smaller dan compacte hatchbacks anno nu. Alleen Smartjes zijn korter, maar fors breder. Verbijsterend eigenlijk dat in een snel verstedelijkende wereld de 500-formule zo weinig navolging heeft gevonden. De Smart ForTwo is een tweezitter en de brommobiel is geen partij, die mag niet op de snelweg. Overigens raadt Bresser ook 500-eigenaars met klem af dat te doen. „Ik heb het wel gedaan hoor, maar dat is geen prettige ervaring. Vrachtwagens halen je links en rechts in, je ziet alleen maar wielen.”

De zijne pendelt, weer of geen weer, tussen zijn woonplaats Amstelveen en Amsterdam. Tenzij het regent rijdt hij altijd met het klapdak open. Tegen de bij slecht weer snel beslaande ruiten helpen de tuimelraampjes, die de auto sneller ontwasemen dan het rudimentaire ventilatiesysteem. „Maar zo meteen krijgen we warme lucht van de motor, die blaast het goed schoon en dan wordt het ook lekker warm.”

Asbakradio

In de uitsparing van de asbak past trouwens een autoradio van het merk Autovox: „Juist, een asbakradio. Heel gewild in de 500-scene, speciaal gemaakt voor de 500. Twee of drie knoppen en een inbouwspeakertje.” Bresser taalt er niet naar. Je hoort toch niks.

Met lachwekkend gemak knetteren we door de nauwe straten. Wat 500-rijders in de hoofdstad graag doen, Bresser niet uitgezonderd, is parkeermogelijkheden demonstreren. Monter wijst hij op de gaten langs de grachten. „Kijk, hier had ik hem zelfs dwars kunnen neerzetten, geen probleem. Leuk hè?”

Verbindend is zo’n Fiat ook nog, altijd aanspraak. „Als ik ’s zomers langs de Heineken Brouwerij rijd, waar het stikt van de toeristen, wordt het hilarisch. Italiaanse meisjes zien zo’n grote blonde vent in dat autootje en dat vinden ze helemaal geweldig.” In alle bescheidenheid schrijft Bresser het erotiserende effect volledig aan de auto toe. „James May van Top Gear heeft het mooi gezegd: zelfs een non wordt sexy in een 500.”

Het treft hoe goed de rugzak raad weet met twee forse inzittenden. Hoe is het mogelijk dat een man van 1 meter 93 makkelijk achter het stuur van een 500 past? En dat ik met mijn lange bovenlijf gewoon kan aanschuiven zonder met mijn kruin het klapdakje te raken? Bresser, glunderend: „Als je naar de onderkant van de stoelen kijkt, zie je dat de stoelrails een beetje gekanteld zijn, zodat ze wat lager staan. Het is een heel intelligent autootje.”

Ontwerper-ingenieur Dante Giacosa was van 1946 tot zijn pensioen in 1970 het brein achter alle Fiats. Het beroemdst werden zijn kleine autootjes, want niemand kon zo magisch woekeren met ruimte. Zijn eerste Fiat-mini ontwierp hij al voor de Tweede Wereldoorlog, de 500 Topolino. Die werd in 1955 afgelost door de grotere 600, waarvan iets later een zespersoonsvariant verscheen, de 600 Multipla. Dat was een van de eerste echte MPV’s, de meest controversiële Fiat aller tijden. De Nuova 500 van Bresser kwam in 1957 en bleef tot 1975 in productie, hoewel de 500 in 1972 al was opgevolgd door de moderner ogende 126.

Lichter dan een Eend

Er zijn 3,5 miljoen 500’s gebouwd, ongelofelijk voor een auto met zulke relatief beperkte gebruiksmogelijkheden. Maar hij was uniek en heeft de tand des tijds majestueus doorstaan. In het jaar dat hij zestig werd is het autootje nog even aai- en wendbaar. Giacosa plaatste de compacte tweecilinder achterin, waardoor hij voorin de handen vrij had; op de bijrijdersstoel kan ik de benen bijna strekken. Door zijn gewicht van circa 500 kilo, lichter dan een Eend, is de 500 zuinig voor een auto uit de jaren vijftig: 1 op 15 is haalbaar. En onderhoud is geen probleem. De onderdelenvoorziening is goed.

Zo’n auto zou uit de as moeten herrijzen. En hij is er al. De nieuwe 500, in de stijl van zijn voorganger, is al tien jaar de best geslaagde retro-auto. Het huidige actiemodel Riva, ontwikkeld in samenwerking met de gelijknamige Italiaanse jachtbouwer, is met zijn 105 pk sterke tweecilinder en zijn stoffen vouwdak een chique, treffende hommage aan het oermodel. Maar hoe compact hij ook is, de unieke minimaten heeft hij achter zich gelaten. Sterker nog: de neo-500 groeide uit tot een familie van steeds grotere lifestyle- en gebruiksauto’s die allemaal zijn naam dragen, van het nieuwe rugzakje tot de MPV-achtige 500L die in de lange versie Living 4 meter 35 meet. Alleen front en achterzijde vertonen nog enige gelijkenis met het origineel.

Mag dat allemaal van de liefhebber? Bresser overdenkt de vraag achter het stuur van een snelle, stille, nostalgievrije 500L Trekking. Over de auto niets dan goeds. „Mooi dashboard, en het uitzicht is uitstekend; het is niet dat je, zoals bij veel moderne auto’s, tot je schouders in het blik zit.” Handig in de stad, dat is een overeenkomst. „Maar met de 500 heeft het natuurlijk niets meer te maken. De gewone nieuwe 500 wel, die heeft echt wat van de mijne. Neemt niet weg dat dit een ontzettend leuke auto is. Weet je hoe ze hem hadden moeten noemen? Multipla.”

    • Bas van Putten