Opinie

    • Tom-Jan Meeus

Een coalitie vormen met partijen die denken: waar is de nooduitgang?

Deze week: kabinetsformatie met vooral kleine grote partijen.

Ofwel: coalitiepartners die al voor de vorming van een kabinet aan het einde denken.

Donderdagmorgen, het was een uur of half elf, stond Gert-Jan Segers, de leider van de ChristenUnie, op de gang nabij zijn werkkamer aan het Binnenhof.

Het was een korte nacht geweest, bij de meeste Kamerfracties moesten de rituelen met bloemen en gebak nog beginnen, maar Segers oogde fris en opgeruimd: hij had het eerste denkwerk over de formatie al afgerond.

Hij maakte de bekende analyse dat VVD, CDA en D66 in elk geval in een nieuwe coalitie horen, en plaatste zijn eigen partij voorlopig op de reservebank: GroenLinks, dat met CDA en D66 de hoogste zetelwinst haalde, kwam volgens Segers als eerste in aanmerking om met de drie te gaan praten.

Segers benadrukte de oprechtheid van zijn keuze. Maar het tekende het klimaat dat andere partijen iets heel anders meenden te zien: de gedoodverfde vierde coalitiepartner die zijn beurt elegant aan een ander overliet.

Dit onderstreept, taxeerde een betrokkene, wat voor soort kabinetsformatie we krijgen: het omweggetje als uitgangspunt.

Na de rechtlijnige zakelijkheid met Rutte en Samsom in 2012 – afspraak is afspraak, opschieten graag – keert het Binnenhof terug naar de politiek van dubbele bodems, schijnbewegingen en achterommetjes.

Hollands machiavellisme.

Ik weet niet wat u van de reacties op de verkiezingsuitslag vond – maar zelf begon mij donderdag iets eigenaardigs op te vallen.

In de Kamer draaide de vertrouwde machinerie op volle toeren. Nieuwe Kamerleden, fractieberaad, fractievoorzitters die de koppen bij elkaar steken, de aanwijzing van verkenner Edith Schippers.

Business as usual. Buiten scheen de zon.

Intussen herinnerde ik me de kritiek op ‘de media’ en ‘de elites’ na het Oekraïnereferendum, Brexit en Trump: die hadden immers, vertelden zelfverklaarde deskundigen toen, het contact met de burger verloren.

Zij voorzagen een schitterend resultaat voor Wilders op 15 maart, en mocht hij daarna niet gaan regeren, dan kwam er, zeiden ze, opstand: Wilders zinspeelde er zelf ook op.

Enfin, dat schitterende resultaat bleef dus uit. Tweede partij met twintig zetels, je kon zeggen: niet slecht. Maar nu hij ruim twee maanden terug nog op kop ging met 35 zetels in de peilingen, terwijl de VVD rond de 22 stond, viel vooral op hoe knap hij zijn enorme voorsprong in korte tijd wist te verspelen.

Zeker als je zag dat vrijwel alles in zijn voordeel uitpakte. Bezuinigingen, vluchtelingencrisis, IS-terrorisme, Oekraïnereferendum, Brexit, Trump, een mediaklimaat dat bezorgde burgers c.q. PVV-kiezers nog nooit zo welgezind was: een perfecte storm.

Hier had iemand de kans van zijn leven vergooid.

Dus mij leek dat er iets mis moest zijn gegaan in het contact tussen de PVV en de bevolking. Alsmede tussen de zelfverklaarde activisten en de bevolking (zie ook GeenPeil: nul zetels).

Maar vreemd genoeg hoorde ik daar niemand over. Ook de aanzeggers van de uitgebleven opstand niet.

Zij deden alsof ze er weinig aan de hand was. De NOS mocht registreren dat ze in de PVV-fractiekamer toostten op het verkiezingsresultaat in een decor van vlaggetjes en rood-wit-blauwe ballonnen.

Wilders, die een jaar terug in de euforie van hoge peilingen Rutte uitsloot als regeringspartner, zei nu dat hij bereid was te spreken over regeringsdeelname, alsof dit de gewoonste zaak van de wereld was.

Het summum van populistische correctheid: als een referendum over een associatieverdrag of Brexit in populistisch voordeel uitpakt, moeten ‘de media’ en ‘de elite’ zelfonderzoek doen. Maar als daarna verkiezingen niet in populistisch voordeel uitpakken, hoeven populisten geen zelfonderzoek te doen: dan zeggen ze gewoon dat ze willen meeregeren – en daarna nemen er nog eentje.

Intussen druppelen meer krankzinnige details binnen over de wijze waarop de PVV vorige maand een tweestrijd met de VVD ontliep. Talloze programma’s en zenders wilden een televisiedebat tussen Rutte en Wilders houden nadat VVD en PVV het RTL-premiersdebat afzegden.

Rutte vond het een voortreffelijk idee. Maar toen de VVD wilde weten of de PVV meedeed, hield Wilders zich dagen onbereikbaar. Halbe Zijlstra belde en sms’te de PVV-leider vele malen – maar Wilders gaf nooit thuis, zo kreeg ik bevestigd. Dit is vooral ook vreemd omdat Zijlstra vaak als voorzitter van de Commissie-Stiekem belt – inzake de nationale veiligheid.

Nu geloof ik ook dat Wilders pech had. En de andere lijsttrekkers ook. Rutte bewees woensdag voor de zoveelste keer dat hij de meest begaafde politicus van zijn tijd is.

Hij, en hij alleen, was het die Nederland op de wereldkaart zette als land waar de populistische revolutie de kwartfinale verloor.

Veel werd gemaakt van zijn term ‘verkeerd populisme’, en van de vraag of de premier met zijn campagneretoriek niet bijdroeg aan het verkeerde populisme dat hij claimde te hebben verslagen.

Zelf vond ik „normaal doen” en „pleur op” weinig verheffend. Een land zonder afwijkend gedrag is een land van te weinig vrijheid. En een premier die vergroving van het openbare leven stimuleert, stelt hufterigheid boven vrijheid.

Evengoed functioneert Rutte al zes jaar als modeldemocraat in een politiek zeer lastige omgeving: hij waagt het impopulair beleid met telkens andere partijen in te voeren. Hij blijft kiezers confronteren met de noodzaak van het compromis, en zijn opponenten met de leegte van beloften – zoals maandag nog bij Wilders’ koranpolitie.

Maar vooral is hij de man die kiezers met Wilders-sympathieën, dit jaar samen met Buma, binnen het bestel weet te houden, terwijl de PVV-leider probeert met hun steun het bestel omver te werpen – zodat dit land de islam verbiedt en de EU verlaat.

Voeg daarbij dat de VVD dankzij Rutte de enige traditionele partij is wier aanhang niet structureel krimpt (vergelijk dit met CDA en PvdA), en het beeld is compleet: deze man is de politieke heerser van zijn tijd.

Maar het blijft Nederland, land dat uitblinkers graag neerhaalt. Zo belooft de formatie ook te worden. Onderhandelingen die mede worden gestuurd door de wetenschap dat het nieuwe kabinet vrijwel zeker Ruttes laatste wordt: na Rutte III komt een vacature vrij.

De verkenningsfase, die maandag formeel begint, wordt in hoge mate politieke administratie: voorkeurscoalities en andere mogelijke coalities in kaart brengen, zodat eind volgende week een eerste onderhandelingsronde kan beginnen. Het is ook denkbaar dat de verkenner inventariseert wat Wilders precies over heeft voor meeregeren: bewaarmateriaal voor latere debatten.

Daarna kan dan eventueel duidelijk worden of de voorkeur van Segers – eerst uitproberen of een coalitie met GroenLinks mogelijk is – kans maakt. D66 wil graag zo’n kabinet, de VVD ziet kansjes, het CDA is sceptisch.

Intussen hoorde ik in GroenLinks: Jesse moet natuurlijk niet de Samsom van deze formatie worden.

Dat laatste is, na twee kabinetten-Rutte, sowieso de doem boven deze formatie: alle junior-partners met wie Rutte tot nu toe in zee ging (2010: CDA en PVV; 2012: PvdA) werden bij de volgende verkiezingen gehalveerd of erger.

Dus optimisten zeiden deze week dat we over een paar maanden, na wat omwegen, vanzelf tot samenwerking van VVD, CDA, D66 en CU komen.

Dat gaat ervan uit dat CDA, D66 en CU al vroeg bereid zijn het risico van electorale halvering te nemen voor een coalitie die niet wordt gezien als blijvertje. Ik weet het niet.

Dit wordt een kabinet, zoals iemand uit de betrokken partijen zei, waarvan de mogelijke coalitiepartijen nu al nadenken over de vraag hoe ze er, mocht dat nodig zijn, op tijd kunnen uitstappen om dan maximale kans op vervulling van de vacature-Rutte te maken.

Altijd op zoek naar de nooduitgang: Rutte III als coalitie waar ze nog vóór het begin aan het einde denken.

    • Tom-Jan Meeus