De maartse haas is een Engelse uitvinding

De ‘maartse haas’ is een opgewonden haas die woeste achtervolgingen en fanatieke vechtpartijen laat zien. Doen hazen dat inderdaad alleen in maart?

Boksende hazen. In Engeland worden ze maartse hazen genoemd omdat ze dit gedrag alleen in het vroege voorjaar zouden laten zien. Foto Flickr/Nic Relton

‘A Mad Tea-party’ is misschien wel het mooiste verhaal uit Alice in Wonderland. Het beschrijft hoe Alice, na allerlei avonturen, een maartse haas en een hoedenmaker tegenkomt die aan een tafel vol theekopjes zitten thee te drinken. Ze schuift aan maar merkt dat de twee daar niet van zijn gediend. Ze wordt venijnig afgezeken.

De ‘March hare’ en de ‘hatter’ blijken rare lui. Onvriendelijk maar ook een beetje meelijwekkend. De haas is in maart gek geworden, vertelt de hoedenmaker, maar eigenlijk zegt hij zelf de vreemdste dingen. Hij heeft moeilijkheden met de Tijd en zijn horloge geeft alleen de dagen aan. Later zal hij nog een stuk uit zijn kopje bijten. Geleerden uit bijna alle disciplines hebben het verhaal geanalyseerd. Zelfs zijn er aanwijzingen verschenen voor de vertaling ervan want het is meer dan Brits. Wij hier op het continent zijn niet vertrouwd met maartse hazen en krankzinnige hoedenmakers.

In Engeland was de ‘mad hatter’ al een begrip vóór ‘Alice’ in 1865 verscheen. De uitdrukking ‘mad as a hatter’ duikt al op in 1829 meldt internet. Of er toen echt herkenbare krankzinnigheid voorkwam onder hoedenmakers valt te bezien, maar later is men daarvan overtuigd geraakt.

Eeuwenlang gebruikten hoedenmakers kwiknitraat (kwik opgelost in salpeterzuur) bij de vervaardiging van vilten hoeden uit konijnen- en hazenpelzen. Kwik is uitermate giftig. De hoedenindustrie was omvangrijk en het kwikgebruik navenant. Het bleef niet onopgemerkt dat de omgang met warme oplossingen van kwikzout de gezondheid aantastte. Al rond 1780 is een prijs uitgeloofd voor de persoon die een substituut voor het kwik zou vinden.

Zoals dat wel moest gaan in een tijd zonder databanken zijn de gevaren van kwik geregeld vergeten en opnieuw beschreven. Nog in 1951 meent The Modern Language Review een mooie primeur te hebben met de suggestie dat de veronderstelde gekheid van ‘mad hatters’ samenhing met een hoge kwikbelasting. Twintig jaar eerder waren in de VS complete campagnes gevoerd om kwikgebruik in de hoedenindustrie verboden te krijgen. De gestoorde hoedenmaker uit ‘Alice’ werd als beroemdste slachtoffer opgevoerd. Ten onrechte trouwens, vond de British Medical Journal in 1983. Het gedrag van Alice’s mad hatter heeft niets gemeen met de echte symptomen van kwikvergiftiging.

De beroepsziekte van hoedenmakers is alleen in Engeland spreekwoordelijk geworden. Nog vreemder is dat ook de maartse haas alleen in Engeland een begrip is, zelfs een oeroud begrip, teruggaand tot aan de middeleeuwen. De ‘March hare’ verwijst naar de periode in het voorjaar waarin opgewonden hazen woeste achtervolgingen en fanatieke vechtpartijen (het zogenoemde boksen) laten zien. Die zijn ons op het continent ook niet ontgaan, maar we hebben er nooit een toestand van gemaakt. De negentiende-eeuwse Brehms Tierleben, uitputtend gedetailleerd over hazen, noemt het ‘Kreislaufen’ en ‘Kegelschlagen’ slechts in een bijzinnetje. De Osterhase krijgt een beurt, maar geen woord over de Märzhase. Een ‘lièvre de Mars’ in Frankrijk? Alleen in Alice-vertalingen.

De ‘March hare’ is alleen in Engeland een begrip. Elders is er geen ‘lièvre de Mars’ of ‘Märzhase’.

Je weet niet hoe dat inwerkt op de Britse ziel, maar de buitenstaander bespeurt een verlangen om aan te tonen dat de haas, althans de Britse haas, in maart en april echt helemaal los gaat. Zie bijvoorbeeld hoe de zoöloog G.A. Lincoln in 1974 in de Journal of Zoology uitlegt hoe de voorjaarsgekheid van de maartse haas ontstaat. Lincoln liet in 1971 en 1972 zo’n 760 Britse hazen doodschieten en uiteennemen. Teelballen, bijballen en prostaatklieren werden gewogen en opengesneden, eierstokken en geslachtsopeningen geïnspecteerd, oren en kaken losgenomen en opgemeten. Ogen gingen op sterk water. ’t Was een heel karwei, je kunt er alleen maar bewondering voor hebben. En de uitkomst was eenduidig: in maart en april is de geslachtsdrift van de haas maximaal, of zoals Lincoln het formuleerde: „De huidige observaties steunen het traditionele idee dat hazen in het voorjaar hyperactief worden. De cyclische veranderingen in het gedrag hangen nauw samen met cyclische veranderingen in de geslachtsklieren.” Hij voegde eraan toe dat-ie het hazengedrag zelf maar beperkt had bestudeerd: een paar uur per week, en altijd bij daglicht. Lincoln kon mannetjes en vrouwtjes op afstand niet goed uit elkaar houden. Op de snijtafel ging dat beter.

Toen werd het 1984 en publiceerden Anthony Holley en Paul Greenwoord in Nature hun artikel ‘The myth of the mad March hare. De twee hadden het gedrag van de Britse haas wèl bestudeerd: met behulp van een sterrenkijker die de hazen honderd maal vergrootte en die zo lichtsterk was dat de dieren ook in het schemerduister waren te zien. Zes jaar lang. Het had ruim 2.000 scherpe foto’s opgeleverd. Op den duur hadden Holley en Greenwood geleerd individuele hazen van elkaar te onderscheiden, ook vrouwtjes en mannetjes bleken te herkennen. Met mooie resultaten. Het boksen bleek geen interactie tussen mannetjes onderling maar een – doeltreffende – poging van vrouwtjes om paring te verhinderen. En zowel het boksen als de felle achtervolgingen komen het hele jaar door voor, met uitzondering van de maanden september en oktober. Tussen november en maart wordt het nauwelijks gezien omdat de hazen dan al voor zonsopgang actief zijn, midden in de zomer wordt het niet opgemerkt omdat dan het gewas te hoog staat. Maar het is er wel. De maartse haas: dat was een foute Britse waarneming.