De noodhulp heeft een Arabisch gezicht gekregen

Droogte in de Hoorn van Afrika Droogte en hongersnood bedreigen 20 miljoen mensen in de Hoorn van Afrika. Hulp is niet langer het monopolie van het Westen. Correspondent Bram Vermeulen ziet in Somaliland hoe hulpverleners uit Arabische landen de harten winnen van de lokale bewoners. Maar wat willen ze er voor terug?

Voedseldistributie op het platteland ten westen van de hoofdstad van Somaliland Hargeisa loopt uit de hand, nadat duidelijk wordt dat er te weinig voedsel is voor alle mensen die waren toegestroomd. Door aanhoudende droogte heerst er op dit moment een ernstig voedseltekort in heel Somalia. Foto Sven Torfinn

De droogte in Somalië kwam niet als een dief in de nacht. Deze ramp was aangekondigd. De regens in de Hoorn van Afrika stellen al drie jaar achtereen teleur. Toen kwam Deyr, zoals het regenseizoen van oktober tot december hier heet. Deyr is de hoop van iedere veehouder en landbouwer in dit land van boeren. De akkers lagen klaar geploegd. De geiten wachtten geduldig. Geen druppel.

Eerst stierf het groen. Daarna de dieren. Anders dan in andere delen van Somalië, waar de bewegingsvrijheid door de jihad van Al Shabaab beperkt is, konden de veehouders in het oosten van de semi-autonome regio Somaliland een heenkomen vinden. Het verschil tussen extreme droogte en een hongerdood is de mens. Daar waar hij een keuze heeft en niet gestopt wordt door soldaten of wrede politiek is er tijd om te vluchten. Dan is de hongerdood een af te wenden lot.

In die hoop trokken in de afgelopen maanden tienduizenden massaal naar het westen, naar het drielandenpunt met Ethiopië en Djibouti. Daar is het gras altijd groen. Daar is ieders vee veilig.

Maar ook hier deed Deyr zijn werk niet. De vlakten bleven bruin als zand en liggen nu ook bezaaid met dode beesten. Op de weg naar Hushaley in de provincie Gabiley liggen kadavers links en rechts van de berm. Vergane geitenkoppen. Koeienribben.

Volgens cijfers van het Nationale Droogte Comité van Somaliland is 80 procent van de veestapel op sterven na dood, in een land waar vlees het belangrijkste exportproduct is. Zelfs de kamelen van Ahmed Hirsi Duale hebben het seizoen niet overleefd. „Mijn beesten sterven”, zegt hij, alsof het zijn kinderen zijn. Hij reisde 700 kilometer van zijn geboortegrond vandaan. „Ik dacht dat het hier beter zou zijn.” Een doek verbergt zijn knokige schouders.

Wat rest: buitenlandse hulp. Verderop in een dorp langs dezelfde weg slaakt Saida Abdia een diepe zucht. Aan haar voeten liggen 250 voedselpaketten, voor 250 gezinnen. 25 kilo rijst, 25 kilo bloem, tien liter kookolie, voor ieder. Maar op het schaars begroeide veld wachten ruim twee keer zoveel Somali’s op dat voedsel, in kleermakerszit, met kartonnen dozen boven hun hoofden om zichzelf te beschermen tegen de verzengende middagzon. Klimaatvluchtelingen.

Mensen zijn uit weide omgeving toegestroomd en wachten geduldig in de hete zon op het uitgestalde eten. Maar snel blijkt dat er te weinig is voor om iedereen iets te geven. Uiteindelijk verliezen mensen het geduld en pakken ze wat ze pakken kunnen. Foto Sven Torfinn

„We hebben veel te weinig om uit te delen”, zegt Abdia, een Somalische medewerker van Action Aid, een hulporganisatie die in Amsterdam is gevestigd. Ze kijkt bezorgd. Dit is hun allereerste voedseldistributie in Somaliland. En ze weet: het is te weinig. „We moeten concurreren met andere crises: Syrië, Irak. Droogte is niet mediageniek, de ramp voltrekt zich langzaam. En als we aan de bel trekken, dan duurt het veel te lang voor de hulp op gang komt.”

Ze heeft haar woorden nog niet uitgesproken of er klinkt gegil. Achter haar rug proberen politiemannen vrouwen op afstand te houden die vrezen dat ze hun voedselpakket gaan mislopen. Er wordt geduwd. Kalasjnikovs worden ontgrendeld. Stenen vliegen door de lucht. Jonge jongens duiken bovenop voedselzakken en slaan hun belagers met stokken van zich af. De woordvoerder van Action Aid duikt in een terreinauto om de stenen te ontwijken. Zelfs de politie maakt zich uit de voeten, terwijl de vluchtelingen de buit schreeuwend en slaand verdelen.

Met stokken proberen mensen het bemachtigde voedsel te verdedigen. Foto Sven Torfinn

Kwart miljoen doden

Zie daar de tweede crisis in de Hoorn van Afrika. In 2011 kwam een kwart miljoen Somaliërs om het leven door de hongersnood in het zuiden van het land. Deels veroorzaakt door Al Shabaab, die geen hulporganisaties tot zijn gebied toeliet, deels door het Amerikaanse verbod om materiële steun te geven aan de gebieden waar de terreurorganisatie het voor het zeggen heeft. Dat verbod is nog steeds van kracht.

Maar sinds de grote sterfte van 2011 zijn budgetten van hulporganisaties die een herhaling moeten voorkomen alleen maar verder afgeslankt. „We zijn minder dan een jaar verwijderd van een herhaling van 2011. Er moeten nu plannen gemaakt worden. Maar er vloeit geen extra hulp naar Somalië. Jaar in jaar uit worden budgetten gekort”, zegt een ontwikkelingswerker die niet met naam genoemd wil worden. „In 2011 was de westerse hulpverlening ruim een jaar te laat. De extra hulp die er was, kwam uit Turkije en het Midden-Oosten.”

Lees ook: La Niña laat het vee sterven en de mensen hongeren

Het gezicht van de hulpverlening is veranderd. Nog steeds vullen de parkeerplaatsen van de grote hotels zich rond dit soort voedselcrises met de terreinwagens van witte hulpverleners, die tegenwoordig met hun eigen camerateams reizen. Maar westerse hulporganisaties hebben al lang het monopolie niet meer op de redding van Afrikanen in nood. In de hoofdstad van Somalië, Mogadishu, domineren de Turken. President Erdogan is het enige staatshoofd dat Somalië sinds het uitbreken van de burgeroorlog in 1991 bezocht. Drie keer maar liefst. Somalië was onderdeel van het Ottomaanse rijk in de zestiende eeuw en past in het Groot-Turkijedenken van de president. Turkse media lieten in 2011 avond na avond op de 24uurszenders het beeld zien van de toenmalige premier Erdogan met een broodmagere baby genaamd Turkey in zijn armen. De baby stierf. Turkije rouwde.

Zelfs gewapende politie agenten konden de menigte niet in toom houden. Foto Sven Torfinn

Ook in het semi-autonome gebied Somaliland in het noordwesten, een land dat door geen enkel ander land wordt erkend, wedijveren niet-westerse landen en hun hulporganisaties om de harten en hoofden van de Somali’s. In januari stuurde de koning van Saoedi-Arabië een hulpschip met voedsel voor 35.000 gezinnen. Turkije stuurde in september al een voedselboot voor 5.000 gezinnen. De emir van Koeweit stuurde afgelopen maand een vliegtuig vol voedsel en medicijnen. Maar wat willen de islamitische regeringen daarvoor terug?

Op het kantoor van de hulporganisatie Islamic Dawa Organisation (Al Huda) uit Qatar overleggen medewerkers over de volgende hulpactie in het westen van Somaliland. Volgens directeur Abdinasir Eid Mohamed blijft het niet bij waterputten slaan en voedselvoorziening. „We hebben sinds 2005 meer dan 30 scholen en 100 moskeeën gebouwd in Somaliland”, zegt hij. Zelfs de moskee bij het presidentieel paleis is gebouwd met geld uit Qatar.

Lees ook: Hongersnood in Afrika vaak schuld van de mens

Hulp is nooit onvoorwaardelijk. Bemoeienis vaart op belangen. Sinds de vroegste dagen van het kolonialisme brachten Europeanen niet alleen scholen, kerken en hun normen en waarden naar het Afrikaanse continent. In Somalië is oud-kolonisator Groot-Brittannië nog steeds de gulste gever. De minister van Buitenlandse Zaken, Boris Johnson, stond deze week op het vliegveld van Mogadishu om Somalië steun te beloven in deze tijden van droogte.

Het Department for International Development (het Britse ministerie voor Ontwikkelingssamenwerking) maakte liefst 100 miljoen pond vrij voor Somalië. „De Britse en Europese hulp is vooral wisselgeld voor de gas- en oliereserves voor de kust van Somalie”, zegt de anonieme hulpverlener met lange ervaring in Somalië. „Somaliland en Puntland hebben de belangrijkste reserves en worden met fluwelen handschoenen behandeld door de internationale organisaties. Groot-Brittannië weet zich al verzekerd van de beste olieblokken.”

Moskee in de hoofdstad Hargeisa, in 2015 gebouwd en gefinancierd door Islamic Dawa Organisation (Al-Huda). Foto Sven Torfinn

Maar nieuwe regionale machten rukken op. Afgelopen maand stemde de regering van Somaliland in met de bouw van een militaire basis van de Verenigde Arabische Emiraten bij de haven van Berbera. Arabische hulp is populair onder de besluitvormers van Somaliland. „Als we het Westen om hulp vragen, dan gaat het verzoek eerst naar een hoofdkantoor in Nairobi, dan naar Genève, dan naar New York. En voor je het weet zijn we zes maanden verder”, zegt Zakaraia Dahir, lid van het Nationale Droogte Comité van de regering van Somaliland. „Maar de Arabieren beslissen snel en handelen snel.”

„Hun lijnen zijn korter”, beaamt Sadia Abdia van Action Aid. „Maar ze zijn ook minder streng als het gaat om transparantie en rekenschap afleggen. Het is niet altijd duidelijk wat met het geld gebeurt.”

Arabische regeringen schenken rechtstreeks aan de semi-autonome regering van Somaliland en de regering van Somalië in Mogadishu. In 2014 berichtte de Keniaanse krant Daily Nation over een onderzoeksrapport van het voormalige hoofd van de Public Finance Managment Unit van Somalië. Uit documenten in handen van de onderzoeker, Abdirazak Fartaag, bleek dat de 48 miljoen dollar die de Arabische Emiraten aan de overgangsregering in Somalië schonken, nergens in de boeken voorkomen. Slechts eenvijfde van de 25 miljoen dollar uit Qatar kwam terug op de begroting. De rest verdween spoorloos.

Met stokken proberen mensen het bemachtigde voedsel te verdedigen. Foto Sven Torfinn

Land van racisten

De eerste Arabische hulp stamt uit de tijd van de olieboycot in de jaren zeventig. Na de val van het regime van Siad Barre in 1991 viel de staat uiteen en kregen krijgsheren het voor het zeggen. Veel westerse hulporganisaties trokken zich terug. Islamitische hulporganisaties, gefinancierd door de Somalische diaspora, stapten in het gat dat achterbleef.

„U komt uit het land van de racisten en de Mohammed cartoons”, zegt Khadar Hussein Adnan Ahmed, de lokale manager van de International Islamic Relief in de hoofdstad van Somaliland, Hargeisa. Hij lacht er vriendelijk achteraan, „geeft niks hoor”.

Het hoofdkantoor van zijn organisatie zit in Saoedi-Arabië en wordt gefinancierd door de Islamitische Wereld Liga. Ze leveren voedselhulp en bouwen waterputten. Maar dat niet alleen. Buiten klinkt de oproep tot gebed uit een nieuw gebouwde moskee. Er zijn ook slaapplaatsen voor honderd wezen. „De Somali’s wonen dicht bij ons. We zijn broeders van elkaar”, zegt de manager terwijl hij een toer geeft over de nieuwe compound.

International Islamic Relief raakte na 11 september 2001 in opspraak. De Verenigde Staten beschuldigden de organisatie ervan dat een van de zwagers van Osama Bin Laden het kantoor van International Islamic Relief in de Filipijnen zou hebben gebruikt om terroristische organisaties te financieren. Ook het kantoor in Albanië zou gelinkt zijn aan Bin Laden. De organisatie zelf heeft dat altijd ontkend en protesteerde toen de VN-Veiligheidsraad de hulporganisatie op een zwarte lijst plaatste. In 2014 schrapte de Veiligheidsraad de naam weer van de sanctielijst.

Somali’s vrezen dat de nieuwe gevers een conservatievere islam naar de Hoorn van Afrika brengen, zoals het Saoedische wahabisme. In Hargeysa schieten nieuwe moskeeën als paddenstoelen uit de grond. „Natuurlijk willen ze iets terug voor hun hulp”, zegt Sadia Abdia van Action Aid. „Ze eisen ruimte op en invloed.” Ze kijkt bezorgd over de verdorde vlaktes van het westen van Somaliland en de lange rijen klimaatvluchtelingen die om haar hulp vragen. „Maar nu kunnen we echt alle hulp gebruiken die er is.”

Lees ook het interview met hoogleraar globaliseringsstudies en humanitaire actie Joost Herman: ‘In conflictgebieden wordt honger als wapen ingezet’
    • Bram Vermeulen