Recensie

Adoptiekind als superheld, stripfiguur en ‘enfant sauvage’

Adoptie

Van Vlaamse vondelingen en Vietnamese wezen tot Mozes en Superman, adoptie zit diep in onze geschiedenis en mythen. Dat toont een sterke expositie over het adoptiekind als held, verschoppeling en symbool van vrijheid en verscheurdheid.

Bij Operation Babylift werden in 1975 duizenden wezen van Vietnam naar de VS gebracht. Foto Robert Stinnett, the Oakland Museum of California

In het reusachtige vliegtuig liggen baby’s in dozen, rij na rij, vastgegespt aan de stoelen met veiligheidsgordels. Dit zijn Vietnamese wezen en verlaten kinderen die veelal zijn verwekt door Amerikaanse soldaten. Bij Operation Babylift zijn in 1975 ongeveer 2.000 van deze kinderen overgebracht naar de Verenigde Staten voor adoptie.

De vervreemdende foto van de Amerikaanse fotograaf Robert Stinnett is een van de vele verrassende beelden in de tentoonstelling Adoptie, Tussen avontuur en kwetsuur in Gent. De tentoonstelling is te zien in de fraaie gebouwen van Museum Dr. Guislain, het onvolprezen museum voor de geschiedenis van de psychiatrie en – meer algemeen – van de beproevingen van de menselijke geest.

Adoptie is de juiste tentoonstelling op het juiste moment. Meer dan wat ook namelijk lijkt het politieke en maatschappelijke debat in het Westen nu te draaien om identiteit, van Zwarte Piet tot immigratie en van boze burger tot wereldburger. Met vragen als ‘wie zijn wij?’, ‘Waar horen wij bij?’, ‘Wie horen bij ons?’ En meer dan wat ook roept adoptie dit soort vragen op. Bij wie hoor ik, als ik ben opgevoed door mensen met wie ik geen genetische verwantschap heb? Waar hoor ik, als ik al mijn hele leven woon op de plek waar ik niet ben geboren? En vaak ook: wie hoort bij mij als ik er zo anders uitzie dan mijn familieleden?

Dit soort vragen verbeeldt de tentoonstelling met een rijkdom aan archiefstukken, romans, stripverhalen, filmpjes, kunstvoorwerpen en foto’s. Die maken het veelvuldige verdriet voelbaar, zoals een handgeschreven briefje van een moeder die haar kind in de 19de eeuw te vondeling legde: „Het is uijt groote nood dat ik mijn kind hier breng”. Of bieden een flits van inzicht zoals videobeelden uit de films met Tarzan: oja, die is inderdaad als wees door apen geadopteerd. En ze tonen vooral de eeuwige speurtocht van het afgestane kind naar zijn wortels; van het sentimentele kinderboek Kruimeltje, waarin een straatjongetje zijn biologische ouders terugvindt, tot de grafiettekeningen van mensenbeenderen door de Amerikaanse kunstenaar Anthony Goicolea, die zo een zoektocht naar genetische verwantschap verbeeldt.

Het is uijt groote nood dat ik mijn kind hier breng

Voorbestemd tot grote daden

Als uit al die beelden iets duidelijk wordt, dan is het wel dat adoptie diep geworteld is in onze mythologie en onze geschiedenis. Voorbeelden van mythologische helden die als adoptiekind zijn voorbestemd tot grote daden zijn de joodse aartsvader Mozes en strip- en filmpersonage Superman. Mozes werd als baby in een rieten mandje te vondeling gelegd, groeide op aan het hof van de farao en redde uiteindelijk zijn volk uit Egypte. Superman kwam van de planeet Krypton, groeide op bij een pleeggezin op aarde en redde uiteindelijk de hele mensheid.

Een Duitse politie-agent ontfermt zich in 1921 over een kind dat op straat is achtergelaten. Na de Eerste Wereldoorlog telde Duitsland veel wezen en verlaten kinderen. Foto Nationaal Archief/Collectie Spaarnestad, Den Haag

De vele voorbeelden uit de geschiedenis zijn veelal naamloos en roemloos – en ook grimmig, leren bijvoorbeeld de foto’s die als een vuistslag aankomen. Zo is er een zwartwitfoto uit het Nederlandse Spaarnestad-archief waaruit hier rijkelijk is geput. Een Duitse politieman buigt zich over een in een deken gewikkeld kind dat nog maar net kan zitten. Het was 1921 en Duitsland zat na de verloren wereldoorlog vol oorlogswezen en in de steek gelaten kinderen en was ook nog eens doodarm.

Dat laatste woog zwaar, omdat vooral armoede ouders ertoe bracht om hun kinderen af te staan. De 19de-eeuwse archieven van Gent tonen de getuigenissen van wanhopige moeders die uit geldgebrek hun kind te vondeling legden. Ze gaven het kind vaak een herkenningsteken mee om het weer te kunnen opeisen als ze wel geld zouden hebben. Dat gebeurde niet vaak, maar de moeder van ene Carolina Orfijn probeerde het in 1860. Ze had haar kind de helft van een in tweeën geknipt bidprentje meegegeven en toonde bij haar zoektocht de andere helft van het prentje als bewijs. Helaas was haar kind intussen gestorven. Het beeld van het in tweeën geknipte bidprentje in de vitrine is ook nu nog hartverscheurend.

De vrees voor schande was een andere aanjager van adoptie, waarvoor bijvoorbeeld vaak werd gekozen als een kind buitenechtelijk was verwerkt. Zo werd de Britse kunstenaar Madge Gill (1882-1961) als buitenechtelijk kind voor adoptie afgestaan aan een pleeggezin in Canada. Als volwassene bleef ze obsessief zoeken naar haar thuis in aangrijpende zwart-witte pentekeningen, waarin de vele lijnen en krassen de verloren bloedbanden lijken te symboliseren.

Adoptie uit racisme

De moeder van de Gentse vondelinge Carolina Orfijn gaf in 1860 haar kind de helft van een in tweeën geknipt bidprentje mee. Archief OCMW, Gent

Net zoals de overtreding van de huwelijkse moraal gold ook ‘rasvermenging’ vaak als een schande die met adoptie moest worden uitgewist. Dat racisme leidde tot enkele van de grootste schandalen van de twintigste eeuw, waarbij duizenden kinderen van gemengde komaf bij hun biologische ouders werden weggehaald. Nu redelijk bekend – maar lang verzwegen – zijn de praktijken in Australië, waar kinderen die met een witte vader of moeder waren geboren in Aboriginal-families, moesten opgroeien in witte adoptiegezinnen.

Minder bekend – en ook lang doodgezwegen – is dat België iets vergelijkbaars deed in Congo, Rwanda en Burundi, zijn toenmalige koloniën in Afrika. Kinderen met een witte vader en een inlandse moeder – zogeheten metissen – werden daar in tehuizen gestopt. Na de dekolonisatie begin jaren zestig werden de kinderen in Belgische pleeggezinnen ondergebracht en vaak ook geadopteerd.

Die adoptie was inmiddels makkelijker geworden. Na twee wereldoorlogen waren er zoveel kinderen verlaten en verweesd, dat in veel Europese landen de adoptiewetgeving werd versoepeld. Het leidde tot een kortstondige golf van binnenlandse adopties. Verdere versoepeling van de wetgeving in de jaren zeventig leidde tot een snelle toename van het aantal buitenlandse adopties. Zo kwamen in totaal zo’n 165.000 kinderen uit Zuid-Korea naar Europa.

Het beeld van adoptie sloeg in die jaren om van noodgreep in goede daad. Westerse gezinnen adopteerden kinderen uit ontwikkelingslanden uit idealisme, om hen te laten delen in onze snel groeiende welvaart. Het imago van de kinderen zelf veranderde ook in die jaren van vrijheid-blijheid, anti-autoritair opvoeden en zelfontplooiing. Het adoptiekind belichaamde niet langer verstoting maar de bevrijding uit het keurslijf van familie en traditie.

‘Enfant sauvage’

In zekere zin was het adoptiekind de wedergeboorte van het ‘enfant sauvage’, dat rond 1800 werd bezongen als het niet door de samenleving bedorven kind-in-natuurstaat. Het was een teken des tijds dat de Franse regisseur François Truffaut met L’enfant sauvage (1970) een film maakte van het waar gebeurde verhaal van de student geneeskunde die rond 1800 een in de bossen verwilderd ‘wolfskind’ probeerde op te voeden.

Adoptiekinderen kregen zo als ontwortelde kinderen een plaats in de mythologie, net zoals eerder Mozes en Superman. Hun plaats was naast die van de vele 20ste-eeuwse striphelden, die opvallend vaak opgroeien zonder hun biologische ouders. De bekendste voorbeelden zijn misschien Suske en Wiske die in een pleeggezin leefden bij tante Sidonia. Het ontbreken van een traditionele huis en haard geeft het jonge tweetal alle ruimte om over de hele wereld avonturen te beleven.

Jung Henin: Couleur de peau: miel, 2006. Originele plaat, inkt op papier. Collectie kunstenaar, Bordeaux

Deze geïdealiseerde voorstelling van adoptie wordt hardhandig doorgeprikt in een ander stripverhaal, namelijk het fel-realistische Couleur de peau: miel van Jung Henin (1965). Als kind verloor Henin zijn ouders in de Koreaanse oorlog, belandde in een weeshuis en werd uiteindelijk geadopteerd door een Waalse familie. Henin vertelt hoe vreemd hij zich in Europa voelde met zijn ‘honingkleurige huid’ in zijn autobiografische graphic novel. In dat stripverhaal gaat de hoofdpersoon op zoek gaat naar zijn wortels – zoals veel adoptiekinderen hebben gedaan.

Dit gevoel van verlorenheid lijkt universeel onder adoptiekinderen, of ze nu echt zijn of verzonnen. Superman, die in het dagelijks leven een wat sullige journalist is, moet zijn heldendaden geheim houden. Dit dubbelleven maakt deze held eenzaam. De Franse fotograaf Benoît Lapray heeft die eenzaamheid verbeeld door Superman te laten zweven boven een stil meer in een verlaten landschap.

Superman heeft alleen gezelschap van zijn spiegelbeeld in het water, een verbeelding van een dubbele identiteit. Dat betekent in zijn geval: afstammeling van Krypton en bewoner van de aarde. Dat betekent voor ons misschien: afstammeling uit het land waar iedereen het Wilhelmus uit het hoofd kende en bewoner van een land waar Zwarte Piet is verdwenen uit de Sinterklaasliedjes. Of misschien: geboren bij de Bosporus, getogen aan de Maas. Misschien ook niet. Maar dat je over dit soort dingen nadenkt, tekent de kracht van deze voortreffelijke tentoonstelling.

In de fotoserie ‘Quest for the absolute’ verbeeldt de Franse fotograaf de eenzaamheid van superhelden. Benoit Lapray