Alexander en Sascha Pinczowski, 29 en 26 jaar oud, werden op 22 maart 2016 gedood bij de zelfmoordaanslagen op Zaventem, de luchthaven van Brussel. Hun ouders, Marjan Pinczowski-Fasbender en Edmond Pinczowski, hebben nu geen kinderen meer. Voor het eerst doen ze hun verhaal.

Was ik er maar bij geweest… je kunt elkaar misschien nog vasthouden…’

Alexander en Sascha Pinczowski, 29 en 26 jaar oud, werden op 22 maart 2016 gedood bij de zelfmoordaanslagen op Zaventem, de luchthaven van Brussel. Hun ouders, Marjan Pinczowski-Fasbender en Edmond Pinczowski, hebben nu geen kinderen meer. Voor het eerst doen ze hun verhaal. „Als de dag een nachtmerrie is, is de nacht een verlossing.”

Door Jannetje Koelewijn. Foto’s Ans Brys. Online productie Liza van Lonkhuyzen. Vorm Koen Smeets.

Ze wonen in een vrijstaand huis in Lanaken, over de grens bij Maastricht. De hond, Nelson, ligt te slapen bij de open haard. Zij zet saucijzenbroodjes in de oven. Haar man volgt haar met zijn blik.

„We hebben vijfendertig jaar in het buitenland gewoond”, zegt hij. „Maar ik ben een Maastrichtenaar, en echte Maastrichtenaren keren altijd terug. Ik ben midden in de stad geboren, in april 1946. Ken je boekhandel Dominicanen? Mijn vader had er een kapsalon. Ertegenover was het gymnasium waar ik op heb gezeten. Toen Marjan en ik terugkwamen, in 2010, zijn we eerst in een appartement op vijftig meter van mijn geboortehuis gaan wonen. Later hebben we een huis gehuurd aan de oostkant van de stad. We wisten nog niet zo goed wat we zouden gaan doen met ons leven.”

Zij: „Jij wist het heel goed.”
Hij: „Maar samen wisten we het niet.” Hij lacht naar haar. „Ik had vijfentwintig jaar voor Sheraton gewerkt en daarvoor tien jaar voor Hilton. Na een paar weken dacht ik: íets wil ik nog wel gaan doen. Toen kwam ik de eigenaar van Château St. Gerlach tegen, ik heb vroeger nog met zijn broer in de klas gezeten. Hij vroeg of ik op interim-basis general manager bij hem wilde worden. Ondertussen had ik ook een gesprek met de Hotelschool hier in Maastricht gehad.”

Zij: „Ik zei: vraag of je op zondag de school mag schoonmaken.” Ze lacht naar hem.
Hij: „Binnen een paar maanden werkte ik weer zes dagen in de week. Nu werk ik alleen op de Hotelschool. Ik ben verantwoordelijk voor de stages in de Emiraten. Daar ga ik zo’n twee keer per jaar heen. Marjan” – hij lacht naar haar – „gaat normaal nooit mee, maar vorig jaar, de eerste keer na eh…”

Zij: „Ik móést van jou. Je wilde me hier niet alleen achterlaten.”
Hij: „We zouden in april gaan, maar dat ging niet, dat was te vroeg na… na… In mei zei ik tegen Marjan: als je echt niet wilt, ga ik op school zeggen dat het voorbij is. Dat vond zij te rigoureus.”

Zij: „Zijn werk is zijn leven. Ik kon hem dat niet afnemen na… na wat er gebeurd was.”
Hij: „Toen ben je onder protest meegegaan. En in november weer. Het vliegen en alles… Kijk, ik sta met twee paspoorten in te checken, in Düsseldorf, want Brussel, daar vliegen we sowieso niet meer vandaan. Vraagt de baliemedewerker: waar is uw vrouw?”

Zij: „Ik ga níet in line staan.”
Hij: „Dus ik zeg: die staat ergens in de hal. Ja, we moeten haar ook zien. Nee, ze komt echt niet. En dan vertel ik eh… dan vertel ik waarom. Tot nu toe werkt het. Het is nog steeds in ieders geheugen gegrift.”

Zij: „Ik ben stewardess geweest, dus in principe zou ik er niet zo bang voor moeten zijn. En dat ben ik ook niet. Het is eh… ja, eh…”
Hij: „Het is ook: met wie zit je aan boord.”

Zij: „Wat dat betreft heb ik een goeie les geleerd. Die eerste keer, in mei, we vlogen naar Dubai, zaten op de rij naast ons vier jonge mannen van vermoedelijk Noord-Afrikaanse afkomst en elke keer zat ik zo’n beetje naar ze te kijken. Waren dit potentiële terroristen? Ik kon in die tijd nog niet lezen of naar een film kijken, ik luisterde niet naar muziek. Ik had niets anders te doen dan boos en ongelukkig zijn.”
Hij: „En huilen.”

Zij: „Af en toe. Niet hardop, hoor.”
Hij: „De stewardess zag het en ze vroeg of ze iets voor ons kon doen. Ik vertelde haar wat er gebeurd was en toen kwam ze op haar knieën bij ons zitten.”

Zij: „In het gangpad.”
Hij: „Een van die vier mannen hoorde ons en die gaf ons later een briefje.”


Zij: „Hij schreef dat hoop ons enige wapen was en dat hij voor ons zou bidden. Zo aardig, zo verschrikkelijk aardig.”
Hij: „De stewardess, ze kwam uit India, nodigde ons uit voor een wedding de volgende dag.”

Zij: „Ook zo aardig.” Ze lacht. „Ik zei: dát is misschien nog iets te vroeg.” Ze staat op om naar de saucijzenbroodjes te kijken. „Dat vliegen was niet leuk en is nog steeds niet leuk, maar we hebben alles direct weer gedaan. Nou ja, een aantal dingen niet. We zijn lid van een vriendenclub…”
Hij: „Tachtig mensen uit Maastricht en omstreken.”

Zij: „…en het heeft tot vorige week geduurd voordat ik daar weer mee naartoe wilde.”
Hij: „Voor de bijeenkomst zei ik: als je voelt dat het tijd is om te gaan, geef een seintje. Om tien uur zei ze: time to go. En dan komen we thuis en is het toch te veel geweest. Dan komen alle emoties er weer uit.”

Zij: „Dan raak ik wel even overstuur. Maar dat gebeurt niet elke avond hoor.”
Hij: „We hebben verder geen hulp, we slikken geen medicijnen. Het enige wat we gedaan hebben is een paar lezingen bijwonen van professor Keirse. Dat is een Belgische hoogleraar die zich heeft gespecialiseerd in rouwverwerking. Hij werd ons al kort na het eh… drama aangeraden. En heel in het begin zijn we een keer naar een professionele hulpverlener geweest die ons door de Belgische overheid ter beschikking was gesteld. Na anderhalf uur dachten we: zij kan niets voor ons doen.”

Zij: „Dat dacht zij ook. Ze zei: jullie weten wat het is en jullie kunnen er…”
Hij: „…naar omstandigheden goed mee omgaan. Ze zei: jullie hebben voldoende empathisch vermogen om van elkaar te accepteren dat jullie het anders verwerken.”

Zij: „Ik heb maar één keer tegen Ed gezegd: als je dát doet, dat vergeef ik je nooit meer. Dat was eh… het was dinsdagochtend gebeurd en op vrijdag hoorden we dat de kinderen waren overleden. En toen zei Ed: ik ga volgende week nog wel even werken.”
Hij lacht.


Zij, ook lachend: „Hij kón niet eens werken, want het was een gekkenhuis. Er moest zoveel geregeld worden. Toen de begrafenis voorbij was, zei Hij: ik ga maandag weer beginnen. Daar heeft de school een stokje voor gestoken. Ze zeiden: eind van de week. Maar ik respecteer het. Er staat tegenover dat hij me zeven maanden elke avond mee uit eten heeft genomen. Ik wilde niet koken, ik wilde niet hier zitten.”
Hij: „Omdat we de laatste avond, de laatste maanden voor eh… De kinderen waren hier. Onze zoon…”

Zij: „We hadden hem teruggefloten toen hij in een dip was geraakt.”
Hij: „Hij studeerde in Amerika, in New York, en daarom was onze dochter daar ook gaan studeren. Maar de laatste maanden waren ze hier en elke avond aten we samen.”

Zij: „Zoals vroeger, toen we nog in de hotels woonden waar Ed directeur was. We zagen hem de hele dag niet, maar ’s avonds tussen halfacht en halfnegen kwam hij altijd boven. En dan aten we met elkaar. Iedereen had iets te vertellen, iedereen was vrolijk. De laatste maanden – onze zoon kookte, we praatten, we discussieerden, het was zo… zo… fijn. Dus daarna, hier ’s avonds weer zitten, nee. We zijn zeven maanden alle avonden uit eten gegaan en als we thuiskwamen kon ik zo mijn bed in. Als de dag een nachtmerrie is, is de nacht een verlossing.” Ze lacht naar hem. „Wij hebben het goed samen. We zijn bijna veertig jaar getrouwd. De dag voordat het gebeurde…”
Hij: „De eerste dag van de lente.”

Sascha en Nelson

Zij: „…was onze trouwdag. We hebben elkaar leren kennen in Nairobi. Na vijf dagen vroeg hij mij ten huwelijk. Het was meteen serieus.”
Hij: „Heel serieus.”

Zij: „Hij was 33 en ik 26. Ik ben geboren in Djakarta, Indische vader, gezagvoerder bij de KLM, Haagse moeder. Ik dacht: Maastricht, beneden de rivieren, carnaval, niets voor mij.” Ze lacht naar hem. „Nogmaals, we hebben altijd een heel fijn huwelijk gehad, waarschijnlijk omdat hij nooit thuis was. Voor mij was het een gemakkelijk leven. Als ik in Purmerend had gewoond, was het misschien anders gegaan.”
Hij: „Dan was jij blijven werken.”

Zij: „Ja, dan was ik blijven vliegen. Ik vond het een superbaan. Toen we in 2010 terugkwamen waren ze bij de KLM bezig de oudjes weer aan te nemen. Helaas kwam de crisis ertussen.” De saucijzenbroodjes beginnen te ruiken. „Ed, ze zijn veel te donker geworden. Dat moet je wel zeggen, hoor.”
Hij: „Ik zei het toch?”

Ze gaat weer zitten en zegt: „We moeten het over onze kinderen hebben. Ze waren super- superleuk. Geestig, empathisch, intelligent. En dan ben ik objectief.” Ze neemt een hap van een saucijzenbroodje. „Ze zijn nog best lekker.”
Hij: „Een mens kan niet objectief zijn, niet ten aanzien van zijn kinderen.”

Zij: „Jawel hoor, want de minder leuke dingen zeg ik ook.”
Hij: „Het blijft een mening. Feiten zijn objectief, en zelfs dat is dubieus. Maar we hadden heel fijne kinderen.”

Zij: „Ik was geen geboren moeder, maar toen ik begin dertig was, we zaten op Jamaica, dacht ik: misschien moet ik nu proberen om zwanger te worden. Alexander is uiteindelijk geboren in Jeruzalem. Sascha in Baarn.”
Hij: „We woonden toen in Lagos en ik wilde niet dat Marjan daar zou bevallen.”

Zij: „Op Facebook leek het alsof ze in Athene was geboren, she loved Greece. Maar dat was dus niet waar.”
Hij: „Je zag het wel in alle media terugkomen. Onvoorstelbaar wat er die dag al binnen een paar uur ongefilterd naar buiten kwam.”

Zij: „Wij hoorden het eh… Het was tien over acht en ik liep door het bos met mijn vrienden uit de buurt en de honden. Het was een prachtige ochtend. Ed had de kinderen naar de trein gebracht. Wat nooit de bedoeling is geweest, want ik bracht ze altijd. Ik zette ze af bij de vertrekhal, parkeerde de auto, haalde koffie en ging bij ze staan voor de incheckbalie. Maar dat was deze keer niet gelukt.” Haar telefoon gaat, ze loopt even weg.
Hij: „De zondag ervoor liep Marjan in het bos, met twee vriendinnen. Ze kwamen een man tegen die tekeerging over het feit dat de honden losliepen. Dus hebben ze de honden aangelijnd en Marjan probeerde die man tot bedaren te brengen. En opeens was ze alles kwijt. Ze wist niet waar ze was en ook niet dat ze die aanvaring met die man had gehad. We zijn meteen naar het ziekenhuis gegaan en gelukkig zei de neuroloog…

Ik had mijn zoon aan de telefoon op het moment dat het gebeurde en op een gegeven moment viel zijn stem weg

Zij, weer terug: „…dat er niets aan de hand was.”
Hij: „Het was een transient global amnesia, het zou vanzelf weer overgaan. Maar die maandag was Marjan nog wel wat onzeker en toen zei ik: beter dat jij niet morgenochtend om zes uur de kinderen naar Brussel brengt. Ik zet ze wel op de trein.”

Zij: „De avond ervoor zei ik tegen Alexander: ik ben blij dat jullie weggaan, kan ik eindelijk alles opruimen en neerzetten zoals ik het wil. En ik zei: maar wat zal ik je missen. Daar ben ik zo blij om, dat ik dat gezegd heb. Wat zal ik je missen. ’s Ochtends vroeg stond ik met Sascha in de bijkeuken en ik deed het Indonesische trucje bij haar dat ik nog van mijn overgrootmoeder heb geleerd” – ze strijkt met haar vingers over haar voorhoofd en de rest van haar gezicht – „want dat hielp zogenaamd tegen angst. Ik zei: ik beloof je, er gebeurt niets. Dat vind ik zo erg, dat ik dat gezegd heb.” Ze is even stil. „Toen ze in de auto zaten kwam Alexander er weer uit en zei: I need to hug you. Ik zei: ga nou maar, ga nou maar.”
Hij: „Want we waren al wat laat. Ik wilde ze op de trein van 6 uur 40 zetten.”

Alexander, Nelson en Sascha

Zij: „En de kinderen wilden met die van 6 uur 50. Ik zei: doe nou maar die van 6 uur 40, daddy thinks it’s better.” Ze is weer even stil. „Normaal zou ik er gewoon bij zijn geweest toen het gebeurde. Als moeder had je dat ook liever gewild. Was ik er maar bij geweest. Ik ben nog altijd zo bang dat ze niet direct dood waren. Dat ze toch nog iets gemerkt hebben. Als ik erbij was geweest… ook al ga je allemaal dood… je kunt elkaar misschien nog vasthouden… iets zeggen…”
Hij: „We zijn later nog met de patholoog op de luchthaven gaan kijken waar ze stonden toen het gebeurde. Er waren daar niet veel mensen omgekomen.”

Zij: „Zeven.”
Hij: „De patholoog legde uit dat onze kinderen er niets van meegekregen hebben. Ze stonden er met hun rug naartoe. Ze hebben eh…”

Zij: „…niets gezien en niets gehoord.”
Hij: „Ik had mijn zoon aan de telefoon op het moment dat het gebeurde en op een gegeven moment viel zijn stem weg, maar niet met een schreeuw of een gil. Hij viel gewoon weg. Ik hoorde een vreemd geluid, vallend glas dacht ik, en later dacht ik: het waren van die plafondtegels die wapperend naar beneden kwamen. Ik gaf de telefoon terug aan Marjan, want het was haar telefoon, en ik zei: volgens mij heeft hij dat ding in een put gegooid. Toen is zij gaan wandelen en ik ben naar mijn werk gegaan. Tien minuten later hoorden we dat er een aanslag was geweest.”

Zij: „De mensen met wie ik in het bos liep zeiden: zullen we teruggaan? Ik zei: nee, niks aan de hand. We hebben acht jaar in een hotel op Frankfurt Airport gewoond en er was altijd wel wat. Thuis heb ik de televisie aangezet en ik zag al die mensen die naar buiten renden, bij de incheckbalie van Delta vandaan, en onze kinderen vlogen met Delta. Ik heb Ed gebeld en gezegd: misschien moet je toch naar huis komen. We zijn om een uur of elf die kant uit gereden, met de hond. We zeiden tegen elkaar hoe leuk het was dat de kinderen vanavond weer thuis zouden zijn.”
Hij: „Er werd gezegd: kom niet naar Brussel, zeker niet naar de airport. Dus we hebben vrienden van ons in Tervuren gebeld en gevraagd of we bij hen mochten blijven tot we de kinderen konden ophalen.”

Zij: „In de auto las ik op Facebook allemaal meldingen van I’m safe en ik dacht: verdomme, waarom zetten zij dat er niet op. Okay, misschien waren ze hun telefoon kwijt. Maar dan vraag je toch de telefoon van iemand anders?”
Hij: „Om een uur of twaalf hoorden we dat er in een van de hotels een crisiscentrum zou worden ingericht. Daar zijn we naartoe gegaan. Er was bijna niemand.”


Zij: „Het drong allemaal niet goed tot me door. Ik was in shock, achteraf.”
Hij: „We wisten niet… we begrepen niet… We waren maar met een paar mensen en we hebben daar tot een uur of zes, zeven gezeten. De mensen van het identificatieteam vroegen ons een antemortem-document te helpen opmaken. Zij zeiden: de situatie is ernstig, maar er is altijd hoop. Achteraf, ook in het kader van wat de patholoog ons verteld heeft, gaan we ervan uit dat ze toen al wisten dat onze kinderen dood waren. De patholoog zei: wij wisten die middag al wie het waren.”

Achteraf begrijp ik nog niet waarom ik ’s avonds niet alle ziekenhuizen ben afgegaan om onze kinderen te zoeken

Zij: „Dinsdag om zes uur.”
Hij: „Op een gegeven moment zeiden de mensen van het identificatieteam dat we net zo goed naar huis konden gaan, er zou toch niets meer gebeuren.”

Zij: „We hebben eerst nog het vriendje van Sascha naar huis gebracht. Ze had hem net leren kennen, een Maastrichtenaar. Hij had ons gebeld, of hij naar ons toe mocht komen. Ik zei: natuurlijk mag je komen. Dus hij was er ook. Achteraf begrijp ik nog niet waarom ik ’s avonds niet alle ziekenhuizen ben afgegaan om onze kinderen te zoeken.”
Hij: „Het zou niet geholpen hebben.”

Zij: „Maar dat lijdzame… Net als in de oorlog. Ed is Joods en ik heb hem wel gevraagd: hoe kan het dat we zo gelaten waren? We wisten het niet meer. We deden wat ons gezegd werd. We zijn naar huis gegaan.”
Hij: „Ik zei: we praten nergens over. Douchen en slapen. We hebben geslapen als baby’s. We hebben twee weken geslapen als baby’s. Je ziet dan toch hoe de mind het lichaam beschermt.”

Marjan en Edmond met Alexander

Zij: „Maar jij wist het. Jij wist dat ze dood waren.”
Hij: „Er waren niet zoveel opties. Ze waren of in coma…”

Zij: „De gewonden lagen over vierenzestig hospitals verspreid. Daarom dacht ik: ze liggen gewoon ergens en ik ga er morgen naartoe.”
Hij: „…of ze waren er niet meer. De gewonden waren bekend. Dus ik dacht: ze zijn er niet meer. Daar hield ik dinsdagavond al heel sterk rekening mee.”

Zij: „Ik niet.”
Hij: „We hoorden pas vrijdagochtend dat het zo was, van de Nederlandse ambassadeur in België.”

Zij: „Ik heb al die dagen gedacht dat ze nog leefden. Ik kon me gewoon niet voorstellen dat mijn kinderen er niet meer zouden zijn.”
Hij: „Zelfs nu heeft Marjan momenten dat ze… Die professor over wie ik het had, professor Keirse, de eerste lezing die we van hem bijwoonden, in Maastricht – het was alsof hij uren met Marjan gesproken had. Alles wat hij over rouwverwerking vertelde, zo was het bij Marjan.”

Zij: „Wat heel fijn was voor mij, want toen begreep Ed dat het heel normaal is, hoe ik ermee omga.”
Hij: „Ik herkende alles. Alles wat hij zei over verdriet en woede en schuld. Hij zei: het enige wat therapeuten kunnen doen is luisteren. Er is geen hulp voor mensen die rouwen. Ze moeten door. Ze moeten door alle fases heen om uiteindelijk te proberen een nieuw leven op te bouwen, een ander leven. Pas als je ergens in dat proces blijft hangen, is het misschien zinvol om hulp te vragen. Maar wat hij vertelde, dat is niet mijn verhaal. Totaal niet. Op school zeiden mensen tegen me: dat je dat kunt, nu al weer beginnen. Ik zei: ik doe mezelf geen geweld aan. Ik doe wat ik vind dat ik moet doen, net als Marjan.”

Zij: „Jij kunt het wegduwen.”
Hij: „Ik probeer mijn emoties te vertalen naar de ratio, en dan reageer je op de ratio. Ik heb dat altijd gehad. Ik heb ooit een filmpje gezien, ik werd zeven en ik kreeg een fiets. En als je dan ziet hoe ik probeer mijn blijdschap te tonen…”

Zij, met een lage stem: „Hoi, hoi, een fiets.”
Hij: „Het kan zijn dat het door mijn achtergrond komt. Eigenlijk ben ik mijn hele familie, inclusief mijn kinderen nu, door geweld verloren. Ik heb geen opa’s en oma’s gekend. Die waren er niet. Geen tantes en ooms.”

Zij: „Alleen een oom in Israël.”
Hij: „Mijn ouders hebben ondergedoken gezeten, eerst in Maastricht, later in België, op vijf verschillende adressen. Mijn moeder was een Amsterdamse, ze is voor mijn vader naar Maastricht gegaan. Ze vroeg zich altijd af: wat doe ik hier? Een beetje zoals Marjan.” Hij lacht. „Ik heb een fijne jeugd gehad. Mijn ouders hadden de oorlog achter zich gelaten, ze praatten er nooit over. Ik weet dat mijn vader begin jaren dertig uit Duitsland hierheen was gekomen, want hier woonde een zus van hem. Jaren na de dood van mijn vader zag ik haar naam staan op de plaquette aan de Sint-Servaaskerk ter nagedachtenis van de mensen die zijn weggevoerd. Het afgelopen jaar denk ik wel meer aan die hele geschiedenis dan vroeger.” Hij kijkt naar haar. „Wij hebben nu in principe alleen elkaar nog.”


Zij: „En de mensen om ons heen. Hier in de omgeving ben ik enorm goed opgevangen. Zonder hen, en zonder Nelson, was ik er niet doorheen gekomen.” Nelson begint zachtjes te kwispelen. „Hij was van Alexander en hij is heel bijzonder. De kinderen hadden een Instagram-account voor hem gemaakt, vierduizend volgers. Als je ziet wat mensen schrijven… Nelson, I’m so sorry for your loss. Nelson, how are you?
Hij: „Ik ben wel bezig met de vraag hoe lang ik het nog leuk vind op school. Ze zeggen dat ze het fijn vinden dat ik er ben, maar zelfs dan, op een gegeven moment moet je weten: time is up. Ik word binnenkort 71.”

Zij: „Het was vijf weken erna, dat je 70 werd.”
Hij: „Vijf weken na onze huwelijksdag ook.”

Zij: „Morgen zou Sascha 27 zijn geworden. Ze had haar bachelor’s in New York gedaan en ze zou terugkomen om hier haar master’s te gaan doen. Ik heb de apps gezien die ze op de airport aan haar vriendje stuurde: vergeet me maar niet. Hij appte terug: hoe zou ik je ooit kunnen vergeten? Die heeft ze niet meer ontvangen, toen was het al afgelopen. Hoe kwam ik daarop? Haar verjaardag. Ze zei tegen ons: it’s is the first time I’m actually looking forward to coming back. We waren zo gelukkig. Ons huis was net klaar.”
Hij: „We hadden het verbouwd.”

Zij: „Daarna hebben we er niets meer aan gedaan. De kamers boven zijn nog precies zoals de dag waarop ze weggingen.”
Hij: „Soms probeert ze iets op te ruimen, maar dan komt ze huilend naar beneden.”

Zij: „Het is zo onbegrijpelijk om de kleren van je kinderen op te vouwen en in de kast te leggen en te weten dat ze er nooit meer uitkomen. Of dat je ze moet weggooien.” Ze begint bijna te huilen. „Nou moet jij het overnemen, Ed. Vertel maar wat leuks.”
Hij lacht naar haar.

Zij: „Op een gegeven moment kwamen ze de verbrande spullen van onze kinderen brengen.”
Hij: „Ze stonden voor de counter om hun bagage in te checken, en doordát ze daar stonden hebben ze drie kinderen voor hen het leven gered. De bom was gevuld met metaal en de patholoog vertelde ons dat het geen spijkertjes waren. Grote stukken metaal.”

Zij: „Onze kinderen zaten er vol mee.”
Hij: „Zij zijn ook in hun hoofd geraakt. Ze waren meteen brain dead.”

Zij: „Ik heb ze nog gezien.”
Hij: „Marjan heeft ze gezien in het mortuarium, in Leuven. Ik niet. We zijn nu een jaar verder en ik denk nog steeds: dat hoefde niet voor mij.”

Zij: „Als ze in het ziekenhuis hadden gelegen, verbrand, onze dochter was verbrand, haar gezichtje was verbrand… Als ze in het ziekenhuis hadden gelegen, was ik ook naar ze toe gegaan, dan was ik naast ze gaan zitten. Als moeder vond ik dat ik de laatste moest zijn die ze vasthield. En dat heb ik gedaan, samen met Cam, de vrouw van Alexander – dat is nog een verhaal apart. Een man van het Rode Kruis was eerst naar binnen gegaan om eh…”
Hij: „Om te kijken hoe de lichamen erbij lagen.”

Jeugdfoto van Sascha

Zij: „En toen hij naar buiten kwam had hij tranen in zijn ogen. Hij zei: ik heb Sascha’s foto’s gezien, een heel mooi meisje. Maar daar ligt Sascha niet meer. Ik zou als ik u was niet gaan kijken. Natuurlijk ging ik wel kijken. Het is mijn kind. Eerst zag ik Alexander. Aan de voorkant zag je niet veel. Cam zag wel een wond hier” – ze wijst naar haar nek – „en zijn handen… ik zag dat allebei hun handen blauw en gezwollen waren. Sascha… ik heb eerst door het laken heen aan haar hoofd gevoeld. Toen heb ik het laken weggetrokken en daar lag mijn dochter. Daar lag gewoon mijn kindje. Mijn baby. Je denkt opeens weer over ze als je baby’s. Ik heb ze omarmd en gekust. Cam bleef Alexander kussen. Ik dacht: ga nou weg, ik ben de moeder, ik wilde de laatste zijn. Maar ik kon het haar niet ontnemen. Ik heb ze vastgehouden en gekust en toen ben ik weggegaan. Ja.”
Hij: „Ja.”

Zij: „Ja.”
Hij: „De patholoog heeft me later uitgelegd dat de snelheid van de luchtverplaatsing op het moment van de ontploffing hoger is dan die van het geluid. Daarom heb ik die knal nooit gehoord. En Alexander en Sascha waarschijnlijk ook niet.”

Zij: „Het was de eerste bom gelukkig. Als het de tweede was geweest… Nou ja, misschien waren ze dan weggekomen. Alexander was altijd on guard, hij lette altijd op zijn omgeving. Hij had Sascha met zijn lichaam kunnen beschermen. Dat had hij gedaan. Hij was namelijk zo” – hand omhoog – „en Sascha was zo” – hand naar beneden. Niemand geloofde dat ze broer en zus waren.”
Hij: „Na twee weken kregen we dus wat spullen terug en later kwamen ze nog een tas van Sascha brengen. Onherkenbaar. Haar portemonnee zat er nog wel in en daar was niets mee aan de hand.”

Zij: „Aan die tas zit nog een verhaal, want op donderdagavond…”
Hij: „We waren in Leuven, in het ziekenhuis, en het gerucht ging dat er toch nog vier niet-geïdentificeerde overlevenden waren, dus iedereen was eh…”

Zij: „We waren daar met een man of dertig. De Liberiaanse familie van die mevrouw uit Deventer was er, die later dus ook dood bleek te zijn, en wij waren er met de Amerikaanse schoonouders van Alexander en met Cam.”
Hij: „Haar vader was ambassadeur in Denemarken geweest en hij had via zijn relaties twee mensen naar Brussel gehaald die zouden helpen met het zoeken naar de kinderen.”

Zij: „Delta had een care-team met Cam en haar ouders meegestuurd. Het was allemaal nogal confusing, want in Amerika dachten ze dat het om Amerikaanse kinderen ging. De vader van Cam had een interview aan CNN gegeven.”
Hij: „De burgemeester van New York had gezegd: we lost two of our citizens.”

Zij: „In The White House hingen de vlaggen halfstok voor de Amerikaanse slachtoffers.”
Hij: „Die donderdagavond sta ik te praten met iemand van het identificatieteam en opeens komt er een Amerikaan met een verband om zijn hoofd op me af. Hij zegt: your daughter, Sascha, she is alive. Ik zeg tegen die Amerikaan: zullen we even apart gaan staan? Hij beschrijft de schoenen die Sascha aan had, haar jeans, haar sweatshirt, en haar tas. Hij zegt: een grote tas, groen. Die tas was zwart, maar ja.”


Zij: „Je denkt: misschien is hij kleurenblind.”
Hij: „Hij zou net een praatje met Sascha gaan maken, want hij wilde dezelfde schoenen voor zijn dochter kopen. Toen ging die bom af. Hij had kunnen wegkomen, met zijn vrouw, en later in het Sheraton, waar ze waren opgevangen, had hij Sascha zien zitten. Volledig van de wereld, maar ongeschonden. Dus ik zeg tegen die man van het identificatieteam: wat doen we daarmee? Hij bedankte die Amerikaan, nogal ongemakkelijk, want hij wist natuurlijk allang dat de kinderen niet meer leefden, en hij zei tegen mij: het is donderdagavond, waar zou uw dochter dan al die tijd geweest zijn? Ze moet door België gezworven hebben. Kan dat? Is het waarschijnlijk? Hij wist toen dus al…”

Zij: „Ze wisten het allemaal.”
Hij: „Een uur later kwam iemand van het Rode Kruis met de namen van alle mensen die in de ziekenhuizen lagen. Er waren geen niet-geïdentificeerde gewonden meer. Hij zei niet: wie er niet op staat is overleden, want dat zeggen ze niet. Ze zeggen alleen: dit zijn de namen. Dan kun je zelf wel nagaan dat ze er niet meer zijn. Die Liberiaanse familie reageerde heel emotioneel.”

Zij: „Huilen, huilen.”
Hij: „In een ruimte die helemaal betegeld was, de akoestiek was vreselijk. We zijn zo snel mogelijk weggegaan. Officieel wisten we nog steeds niets. Ze waren zo voorzichtig omdat er na de aanslagen in Parijs vergissingen zijn gemaakt. Dus ze wilden dental records hebben, of vingerafdrukken, of dna. Ook al hadden ze veel eerder met aan zekerheid grenzende waarschijnlijk kunnen zeggen: het zijn uw kinderen – ze deden het niet.”

Zij: „De volgende ochtend, de ambassadeur was geweest, stonden we in de lift met de dames van het care-team. Heel aardige mensen, daar niet van, Delta heeft ontzettend zijn best voor ons gedaan, vrienden van Sascha en Alexander mochten voor niets overvliegen, maar een van die vrouwen zei toen: what are you going to do today, en ik zei: o, we are going to the mortuarium. En toen zei zij” – ze lacht – „okay, have a nice day.”
Hij lacht ook.

Zij, nog steeds lachend: „Have a nice day. We will! Ik moet nog vertellen hoe dat zat met de vrouw van Alexander. Wij wisten dat ze getrouwd waren, maar haar ouders wisten het nog niet.”
Hij: „Die hoorden het pas toen ze naar Nederland vlogen.”

Zij: „Het was de bedoeling geweest om een bruiloft met alles erop en eraan te geven als ze allebei klaar waren met hun studie.”
Hij: „Ze waren vast getrouwd om een green card te regelen voor Alexander.”

Het gezin inclusief Cameron: de vrouw van Alexander

Zij: „Cams ouders waren gek op onze zoon, maar hij was niet direct de jongen die zij voor hun dochter in gedachten hadden gehad. Hij had zijn studie nog niet af.” Alexander deed international relations and politics. Sascha had Engels en journalistiek gedaan en zou naar businessschool gaan. Ze hadden er allebei op hun eigen manier last van dat ze in hun jeugd zo vaak verhuisd waren. Altijd maar weer andere scholen, andere vrienden. Ze waren er wel heel sociaal en tolerant van geworden. Wijzend in de richting van de tuin: „In dat hoekje, ik kom er nooit, staan foto’s die de International School in Frankfurt ons gegeven heeft. Daar hebben ze ook op gezeten.”
Hij: „Ze hebben er een memorial voor onze kinderen gehouden.”

Zij: „Sascha’s Facebook hebben we al snel afgesloten, daar kwamen de meest afschuwelijke berichten op. You fucking cunt, you should have been blown up long before, with your western clothes. Maar als je haar berichtjes had gelezen na wat er in Parijs was gebeurd – ze schreef dat we tolerant moesten zijn en ons niet tegen moslims moesten keren, want dat was precies was ISIS wilde. We need tolerance in this world. Violence is not the answer.
Hij: „Wij zijn niet gelovig…”

Zij: „…en we hebben ze zonder enige religie grootgebracht. Maar met tolerantie voor mensen die wel geloven. Ik moet zeggen dat ik nu wat agressiever ben geworden. Niet tegen de mensen om me heen, op de markt of waar ook, meer tegen eh… Als ik lees over die man die nu in Parijs in de cel zit, dat die brieven krijgt van vrouwen die hem de hemel in prijzen, nou ja” – ze lacht – „tegenover hem ben ik wel agressiever dan eerst. En die jonge vrouw die uit Syrië is teruggekomen, een Nederlandse vrouw, voor haar voel ik ook geen sympathie. Iedereen die zich voor het karretje laat spannen, iedereen die denkt dat hij met dit soort daden iets goeds doet, zou ik persoonlijk de trein uit kunnen duwen. Sorry, dit had ik eigenlijk niet willen zeggen.”
Hij: „Ik heb dat niet, die agressie. Ik heb ook geen beeld van de man die onze kinderen heeft opgeblazen. Wat ik bedoel is dat de dader” – hij schraapt zijn keel – „voor mij geen gezicht heeft. Nee. Ook al weten we wie hij is. Je kunt hem vinden op internet. Maar verder… Er worden nu bibliotheken volgeschreven over deze groep mensen, hoe het zo ver heeft kunnen komen dat ze dit soort dingen doen. Tegelijkertijd zien we zowel in Europa als in Amerika stromingen opkomen waarvan we dachten dat die voorgoed voorbij waren. Er zijn wel een paar parallellen te trekken met de jaren dertig.”

Zij: „Na Parijs heb ik gezegd: kunnen we niet weggaan? We zijn aan niemand gebonden en de kinderen vinden het prima als we in Australië gaan wonen. Ik wil nog steeds wel weg. Maar ja, dan zal eerst” – ze lacht naar hem – „de Hotelschool gesloten moeten zijn.”
Hij: „Je neemt jezelf mee, dat is het grootste struikelblok. Je maakt wat er gebeurd is er niet mee ongedaan. Je moet ermee leven. Je hebt geen keus. Je kunt gaan liggen en hopen dat het is afgelopen, en in je slechte momenten wil je dat ook, maar het gebeurt niet. Je leeft. We leven.”

Zij: „Ja, ik leef. Ik leef en ik lach, we lachen ook samen. Maar de glans is er vanaf.”
Hij: „Geen kinderen, geen kleinkinderen.”

Verjaardagstaart voor Sascha

Zij: „Ik verheug me nooit meer ergens op. Ja, ik heb plezier in de wandelingen die ik met de hond maak. Ik kan zeggen: de zon schijnt, het is een mooie dag. Maar het gevoel dat erbij hoort is voor altijd weg. Het enige waar ik me nog op verheug is het einde van de dag. De open haard gaat aan, de poezen krijgen eten, we drinken een glas wijn, ik kus de kinderen gedag” – ze wijst naar hun portretten bij het raam – „en ik ga slapen.”
Hij: „Je doet het goed, Marjan.”

Zij: „We doen het goed. Ik weet zeker dat we het goed doen. Als iemand me ooit tevoren had gezegd: je gaat je beide kinderen verliezen en zo leef je verder, je gaat schoenen kopen, een nieuwe winterjas… Toch heb ik een nieuwe winterjas gekocht. Vorige week zijn we voor het eerst weer naar de bioscoop geweest, vier Italiaanse stellen…”
Hij: „Perfetti sconosciuti.”

Zij: „Briljante film, vonden we. Ik was blij dat we het gedaan hadden. Naar muziek luisteren, dat kan ik niet. Dan ga ik huilen.” Ze roept de hond, hij mag mee uit wandelen met de buurvrouw. „Nelson, you wanna play with the frisbee? Nelson? Where is the frisbee?” De hond loopt met een oude schoen in zijn bek achter de buurvrouw aan.
Hij: „Het is een vizsla, een Hongaarse jachthond. Je ziet ze niet zo heel veel.”

Zij: „Een draadharige. Je hebt ze ook kortharig.” Ze laat de foto’s op zijn Instagram-account zien. „Hier mocht hij het zwembad in. Hier hadden de kinderen hem aangekleed als balletmeisje. En hier, o ja, dat was met Kerst. Toen hadden ze hem een kerstmuts opgezet.”
Hij: „Het is goed voor Marjan dat hij er is.”

Zij: „Het afscheid van de kinderen was in Maastricht. Onze schoondochter is van protestantse huize, dus er was een eh… hoe heet zo iemand? Er was een pastor bij.”
Hij: „Alexanders schoonouders wilden graag een kerkelijke dienst. Dat wilden wij natuurlijk niet, maar we hebben een middenweg gevonden. Voor de balans hadden wij voor een rabbijn gezorgd. Het was in de Sint-Jan, tegenover de Sint-Servaas, dat had een jeugdvriend van mij voor ons geregeld, Benoit Wesly. Er waren heel veel mensen. Later realiseerden we ons dat we lang niet iedereen bewust gezien hebben. Er is veel langs ons heengegaan. Terwijl we daar toch rustig gezeten hebben.” Hij lacht naar haar. „Jij ook.”

Zij, lachend: „Ja. Ik had gezegd: als ik ga huilen, zeg dan iets raars tegen me. Cam en haar ouders wilden het Ave Maria laten horen en dat hebben we gedaan.”
Hij: „Gezongen door Charles Aznavour, dat wilden wij graag.”

Zij: „Vriendinnetjes van Sascha uit New York hebben gesproken, net als de beste vriendin van Alexander. De vader van Cam heeft ook gesproken, dat was ontzettend mooi. Ja.”
Hij: „Ja.”

Zij: „What if, die gedachte laat me niet los. Wat als Ed voor een rood stoplicht had moeten wachten. Wat als ze de trein niet hadden gehaald. Wat als ik ze naar Zaventem had gebracht. Ik ben daar wel meer mee bezig dan Ed. Sascha bleek in de trein nog achthonderd dollar naar haar broer te hebben overgemaakt. Het tijdstip van de transactie was op 22 maart rond zeven uur.”
Hij: „Hij moet tegen haar hebben gezegd dat hij rood stond. En toen heeft zij hem geholpen.”