Opinie

    • Ellen Deckwitz

Voetafdruk

Gisteren ging ik door de schemering met een collega: we waren net geïnterviewd en wandelden door het park terug naar de tram. Terwijl we steeds dieper door het donker waadden, hadden we het over de ontluikende natuur. Jaarlijks ervaar ik een soort euforie wanneer de temperatuur stijgt, zo van: ik ben de winter doorgekomen zonder mezelf onder het ijs te laten glijden, zie je wel dat ik het bestaan aankan. Mijn reisgenoot zei dat hij het ieder jaar weer nauwelijks kan geloven als het voorjaar aanbreekt.

„Want we ontmantelen het klimaat in zo’n rap tempo”, zuchtte hij. „Ik ben altijd bang dat de boel zo van slag is geraakt dat er geen lente meer komt.”

„Dat is fascinerend”, zei ik, „want dat is een vrees die je vooral ziet bij oude heidense volkeren. Zij geloofden dat er tijdens de winterequinox een strijd tussen de winter- en de zomergod werd gevoerd zodat het licht weer kon terugkeren naar de aarde. Jaarlijks was men als de dood dat de zomergod zou verliezen en het eeuwig winter zou blijven. Dus doordat de moderne mens met al zijn techniek het ritme van de natuur langzaam vernietigt, krijg jij weer dezelfde angsten als onze primitieve voorouders. Dat is ergens ook cyclisch.”

Hij knikte en zwijgend liepen we door de nacht. Enkele partijprogramma’s speelden door mijn hoofd, van politici die beweren dat ze de wereld groener willen maken. Het is de vraag of dat ooit echt zal gebeuren, of de politiek zo ver vooruit durft te kijken en handelen, alle beloftes ten spijt. Ik merkte dat ik dit voorjaar opeens heviger koesterde dan die daarvoor.

Ook mijn collega was in gedachten verzonken. Hij heeft een tatoeage van een gevleugelde zandloper in zijn nek, een teken dat je ook op veel oude graven tegenkomt. Niet dat zijn lijf daardoor opeens in een zerk veranderde: onder die zandloper zat nog steeds een slagader, fanatiek bloed in het rond pompend. Er schoot door me heen dat er eigenlijk geen garantie is dat de lente weer terugkeert. Ik dacht aan oude voorchristelijke rituelen waarin jonge, taaie mannen werden geofferd. Zodat hun bloed de akkers bevruchtte en er weer sterk graan uit zou opschieten.

Om ons heen stonden de knoppen van de takken op knappen. Een merel floot zichzelf een klaplong. Je hoorde de aarde scheuren op de plekken waar de krokustoppen zich als kindervingers naar boven wrongen. We zuchtten diep. Het donker groeide. De merel klonk steeds verder weg. Enkele winterviooltjes knapten onder onze passen, bleven geknakt achter in onze voetafdruk.

heeft een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.

    • Ellen Deckwitz