Erwin Mortier moest twee doden uitdrijven

Het nieuwste boek van de Vlaamse schrijver is een bloedserieus afscheid van twee vrienden.

Toen Jef Geeraerts in mei 2016 op 85-jarige leeftijd stierf, dachten heel wat mensen dat hij al dood was. Hij leefde al jarenlang min of meer als kluizenaar en schreef niet meer. Erwin Mortier, een van zijn naaste vrienden, vertelt in Omtrent liefde en dood hoe hij langzaam wegkwijnde na het overlijden van zijn echtgenote Eleonore Vigenon. Pas toen Jef er niet meer was, en hun complete archief naar het Letterenhuis in Antwerpen werd gebracht, kon ook de rouw om ‘Nora’, die er in 2008 enigszins bij in was geschoten, zijn definitieve beslag krijgen.

Mortier (1965) moest, naar eigen zeggen, deze twee doden ‘uitdrijven’ om zelf weer verder te kunnen met zijn leven, want hij voelde zich ‘broos als sprokkelhout’. Zijn man adviseerde hem om ze ‘ten afscheid’ te schrijven. ‘Maak een sober portret van ze, zoals we ze hebben mogen leren kennen.’

Maar is het wel een portret? En hoe sober is het? De zinnen zijn overwegend lang en peinzend, met veel tussengedachten, bij het stroeve af soms. Je moet ze aandachtig lezen om Mortiers gedachtegangen te kunnen volgen. Over leven en werk van de twee doden krijgen we weinig bijzonderheden te lezen. De roemruchte Congo-romans van Geeraerts komen terloops ter sprake, net als de woeste creaties waarin Nora zich placht te hullen, compleet met boa’s en pauwenveren. Hier en daar licht Mortier er wat eigenschappen uit: de levenswil van de een, de annexatiedrift van de ander, de stoerheid van de een, de eenzaamheid van de ander.

Mortier mijmert vooral over de tijd, over vriendschap en het verschil tussen abstract en concreet rouwen. In het huis van het stel, waar hij zoveel genoeglijke uren heeft doorgebracht, en waar hij nu orde op zaken moet stellen, is het allang niet meer prettig toeven. ‘Nu staat de leegte als een onzichtbaar trekpaard in de woonkamer te gnuiven.’

Als Omtrent liefde en dood al een portret is, dan is het vooral een portret van dit huis, het hol waarin man en vrouw zich zo graag terugtrokken. In alle toonaarden valt te lezen hoe gelukkig ze waren achter ‘de muur van lover’, ‘de vestingwal van wilg en laurier’. Met het overlijden van Nora kwam aan ‘de mythe van het koppel’ een einde. Die mythe bestond erin dat ze elkaar trouw zouden blijven in leven én dood.

In de praktijk hing Jef nog te veel aan het leven om zijn vrouw te willen volgen toen ze aan kanker bezweek. Maar het leven zonder haar bleek geen enkele glans meer te hebben. Dat is het grote dilemma dat Mortier vorm geeft in zijn fijnbesnaarde rouwbeklag. ‘Te moedeloos om nog te schrijven, te moedeloos om haar te laten gaan, is hij in haar dood gaan wonen, wachtend op de zijne.’ De urn met haar as bleek hij al die jaren bewaard te hebben onder zijn schrijftafel.

Het verhaal eindigt, fraai symbolisch, met het verstrooien van haar as door een groep vrienden. Verder heeft Mortier met deze bloedserieuze afscheidsrede weinig figuurlijke verstrooiing te bieden. Wellicht komt er, na het uitdrijven van de doden, weer ruimte en tijd voor wat lichtere kost.

    • Janet Luis