Trouwring

Een lentezonnetje deed het gras glimmen alsof het was ingevet, en daar liep ik: met een metaaldetector. Als een ware speurneus bewoog ik het ronde geval dat onderaan een stang bevestigd zat heen en weer. Bliep-bliep! Helemaal ontspannen kon je mijn gemoed niet noemen – ik vermoedde wel zo ongeveer welke indruk je als volwassene maakt, met zo’n apparaat in je handen.

En rustig was het ook al niet in het park waar ik mijn trouwring zocht: het stembureau was vlakbij en het was verkiezingsdag. Met een overweldigende concentratie hield ik mijn ogen daarom op de wijzers in het display gericht. Hoofd tussen de schouders leek de beste houding.

Het moest nu gebeuren: ik was die ring hier eerder die dag verloren en gezien de drukte kon hij ieder moment dieper het gras in worden gedrukt. Bliep-bliep!

De meeste passanten zeiden niets. Althans niet tegen mij. Met een jaloersmakende vrolijkheid liepen ze in open jassen naar het stembureau om, leek mij zo, op D66 of GroenLinks te gaan stemmen.

Meer dan ooit gaven de Amsterdammers woensdag hun zegen aan partijen met groene programma’s, zeker in de bakfietsenwijk waar ik woon. Maar ik was na een uurtje wel klaar met groen. Óf ik kon ondanks het gebliep niets van metaal ontwaren tussen de stug verankerde grassprieten, óf het waren bierdopjes. Allemachtig, zoveel bierdopjes als je in een strook van twintig bij vijftig meter blijkt te kunnen vinden. Curieuze erfenis van de zomer. Alsof ik de dopjes uit hun winterslaap haalde.

Ik begon al te hopen dat iedereen mij met rust zou laten. Tot het erge, het gevreesde, toch gebeurde.

„O kijk”, zei een middelbare vrouw, wat mij betreft veel te luid, tegen haar moeder die ze in een rolstoel voortduwde, „meneer zoekt een schat.”

De smalende toon die je wist dat zou komen. Sommige vrouwen zijn er een meester in: uit hun kolossale damesrepertoire aan toonhoogten, woordkeuzen en volumes stellen ze een zinnetje samen dat je verward ineen doet krimpen zonder dat je iets terug kan zeggen.

De smalende toon die je wist dat zou komen. Sommige vrouwen zijn er een meester in

Hoofd nog iets lager tussen de schouders, meer zat er niet in.

Even later schrok ik op van een hard remmende fiets. Een jongen van een jaar of tien liet zich van zijn zadel glijden en keek mij verwachtingsvol aan. „Hé, meneer”, riep hij, „heeft u al iets gevonden?”

Dacht dat ik hier voor mijn plezier liep. Dat ik écht een schat zocht. In volle ernst antwoordde ik dat ik een ring was verloren en daar kreeg ik meteen alweer spijt van. Waarom die jongen niet even mee laten zoeken naar een schat? Waar was de jongen in mij gebleven?

Iedereen in het park was opgewekt; in de rij voor het stembureau geen boze burger te bekennen. Wel veel dertigers met een groene toekomst voor ogen. De enige boze burger in de omgeving stak, enigszins gebogen, met een metaaldetector en een zak vol bierdopjes de straat over.

Auke Kok is schrijver en journalist.
    • Auke Kok