Opinie

    • Thomas von der Dunk

GroenLinks, stap niet in een kleurloze coalitie

De kiezers hebben nooit geloofd in een samenwerking tussen VVD en PvdA, schrijft cultuurhistoricus Thomas von der Dunk. Laat dat een waarschuwing zijn voor GroenLinks: blijf geloofwaardig, stap niet in een kleurloze coalitie.

Hajo

Er is een kloof in de Nederlandse politiek die stelselmatig wordt verwaarloosd: je hebt mensen die aan regeerbaarheid hechten, en mensen die geloofwaardigheid vooropstellen. In het eerste kamp bevinden zich beroepsbestuurders en lobbyisten, en daarnaast ook veel Binnenhofjournalisten; in het tweede een groeiend deel van de kiezers, dat zich afvraagt wat verkiezingsbeloftes waard zijn, als brede coalitievorming tot waterige compromissen verplicht.

Zelden werd deze kloof zo duidelijk als woensdagavond. Anders dan het establishment heeft het electoraat nooit in de samenwerking tussen VVD en PvdA geloofd: de regeringspartijen verloren maar liefst 37 zetels.

We hebben het meer dan eens gezien: zodra ‘gewoon’ rechts, VVD, CDA en D66, niet meer aan een meerderheid, werd één linkse partij (in casu de PvdA) dringend gevraagd omwille van de stabiliteit mee te doen. En daarbij de vaststaande neoliberale kaders te accepteren. Over haar eigen, afwijkende program, waarmee zij de verkiezingen was ingegaan en soms fors had gewonnen, moest zij niet te veel zeuren: het landsbelang ging voor!

Tot op de dag van vandaag geldt nog altijd de doctrine van toenmalig RKSP-fractieleider Nolens uit het Interbellum: regeren met links alleen in uiterste noodzaak. Van de brede naoorlogse rooms-rode coalitie afgezien, ging die stelregel steeds op. De PvdA mocht alleen aanschuiven als CDA en VVD samen hun meerderheid verloren hadden, om zodra beide partijen die weer herwonnen hadden, meteen te worden gedropt. De totale verkiezingsuitslag was daarvoor betrekkelijk irrelevant. In 2002 mocht de rechtse LPF na een monsterzege met CDA en VVD meedoen, in 2006 werd de SP na een even grote zege door het CDA de toegang tot de Trèveszaal ontzegd. Want met twee grote linkse partijen tegelijk in zee: dat nooit.

Van de PvdA werd wel regelmatig het omgekeerde verlangd: regeren met rechts. Toen zij zich na de val van het kabinet-Rutte I daaraan onttrok en niet deelnam aan het zogeheten Lenteakkoord, kreeg zij meteen een stortvloed van verwijten over zich heen. Een verantwoordelijkheidsvakantie, zou Rutte dat nu noemen.

Donderdag startte NRC een lezersonderzoek over de verkiezingsuitslag. Bent u blij of juist bezorgd? Geef hier uw mening. Het kost u ongeveer 5 minuten.

Tegendenken

Maar een oppositiepartij heeft niet de taak om een wankelende regering te stutten – evenmin als Sybrand Buma van het CDA dat bij het nu vertrekkende kabinet had. Dat is typisch technocratisch regentendenken: het regeerproces mag vooral geen hinder ondervinden. Daar – en niet in het kiesstelsel en het ontbreken van referenda of zo – ligt het kernprobleem van de Nederlandse democratie: het doodslaan van het debat, doordat iedereen die serieus genomen wil worden vooral méé moet denken, waar juist tegendenken noodzakelijk is.

De verkiezingsuitslag van 15 maart, met verdergaande versplintering van het politieke landschap en een vernietigende uitslag voor de PvdA, valt hiervan niet los te zien. Dat laatste heeft betrekkelijk weinig te maken met de misschien wat onbeholpen campagne van Asscher, maar alles met Samsoms fatale politieke keuze van 2012. Het verlies vormt het voorspelbare resultaat van de samenwerking tussen twee natuurlijke tegenpolen, die zich omwille van de regeerbaarheid verplicht achtten om samen te werken, terwijl zij fors gewonnen hadden juist door zich tegen elkaar af te zetten.

De ondergang van Rutte II was daarmee eigenlijk al in de vorming van het kabinet inbegrepen. In 2012 stonden velen te juichen, omdat na het debakel van Rutte I de extremen verloren hadden, en er nu weer krachtdadig geregeerd kon worden; in Brussel ging de vlag uit omdat het eurosceptische populisme was verslagen. Dat was kortzichtig en voorbarig. De oorzaken van de onvrede werden in de jubelstemming van dat moment genegeerd, zodat die de wortels van de oude brede volkspartijen van weleer verder aantastten. Na de christen-democratie in 2012 is nu ook de sociaal-democratie daarvan het slachtoffer geworden.

Als de neurotische concentratie op regeerbaarheid nu tot een nog bredere coalitie leidt, dan zal het bij de volgende verkiezingen nog erger worden, omdat zo’n coalitie nog kleurlozer zal zijn en dus nog meer kiezers van zich zal vervreemden. De PvdA is daarbij altijd eerder het electorale slachtoffer dan de VVD. Omdat de PvdA-kiezer meer verwacht, en over het algemeen minder welvarend dan de VVD-kiezer is en meer de beschermende hand van de overheid nodig heeft teneinde niet op de vrije markt – baan, loon, huur – ten onder te gaan.

Verbazing

Tijdens de campagne is wel met verbazing geconstateerd dat de kiezer kennelijk vergeten was, hoe beroerd de overheidsfinanciën er in 2012 voorstonden, en dat het nu toch weer veel beter ging. Zo schreef Tom-Jan Meeus op 11 maart: „presteren in de politiek – de economie op orde brengen, het vluchtelingenprobleem oplossen – is blijkbaar van minimale electorale waarde geworden”. Voor de verklaring hiervan hoefde hij maar één pagina om te slaan, naar de reportage van Bas Blokker en Jutta Chorus: het mag dan macro-economisch met ‘het land’ goed gaan, micro-economisch ervaren veel burgers dat anders, of dat nu vergaande onzekerheid op de arbeidsmarkt dan wel de (ouderen)zorg betreft. Precies op punten die mensen daadwerkelijk voelen, bestaat begrijpelijk grote ontevredenheid - en dat geeft de doorslag. Electoraal weegt het sociale altijd zwaarder dan het economische, omdat begrotingstekort en betalingsbalans uiteindelijk financiële abstracties zijn, en kou, honger en dakloosheid niet.

Dat staat in direct verband met de neoliberale denk- en begrotingskaders, die de PvdA als coalitiepartner van de VVD weinig ruimte lieten om daaraan iets te veranderen. Dat is haar nu voor de zoveelste keer opgebroken – en dat behelst ook een waarschuwing voor GroenLinks, als deze partij nu, omwille van ‘het landsbelang’ met klem verzocht wordt als Mehrheitsbeschaffer van een rechtse coalitie te fungeren. Het is namelijk onwaarschijnlijk dat dat echt in beleid resulteert, dat de kiezers van haar verwachten. Dan dreigt de vermeende regeerbaarheid het opnieuw te winnen van de politieke geloofwaardigheid, met desastreus resultaat.

Links gezamenlijk optrekken

Links staat er zeer slecht voor. Dat betekent vooral dat links nu eindelijk eens moet leren gezamenlijk op te trekken - voorbij het narcisme van de onderlinge verschillen. Voor deze en toekomstige formaties betekent dat voor GL, SP en PvdA: u heeft of ons alle drie, of geen van ons. Bij de huidige verhoudingen betekent dat het laatste. In de komende formatie moet men nu niet ten koste van alles naar een meerderheidskabinet streven, maar een minderheidskabinet (VVD-CDA-D66) formeren: dat komt de helderheid ten goede.

In Denemarken doen ze dat al jaren lang, en dat land is niet tot derdewereld-niveau afgezakt. De facto was Rutte II ook al een minderheidskabinet, omdat het in de Eerste Kamer geen meerderheid had. Geen gegarandeerde steun in het parlement: leve het dualisme! Dat hindert misschien de slagvaardigheid, maar komt de politieke geloofwaardigheid ten goede, en dat is hoognodig – het gebrek eraan bracht ons de huidige versplintering.

    • Thomas von der Dunk