‘Mijn hoofddoek? Die doet er helemaal niet toe’

Uitspraak

Hoofddoekjes verbieden op de werkvloer? Dat werkt de acceptatie van gesluierde werkneemsters tegen, zeggen twee moslima’s.

Foto Robin Utrecht/ANP

Werkgevers mogen werknemers verbieden een hoofddoek te dragen, bepaalde het Europees Hof van Justitie dinsdag. Volgens de hoogste Europese rechtbank mag van werknemers worden geëist dat ze ‘neutraal’ op het werk verschijnen, met name wanneer werknemers „in contact treden met de klanten”. Maar: het verbieden van een hoofddoek op de werkvloer mag volgens het Hof alleen wanneer andere religieuze uitingen, zoals het dragen van een rozenkrans of keppeltje, evenmin zijn toegestaan.

Het besluit kwam dinsdag naar aanleiding van twee rechtszaken, aangespannen door twee moslimvrouwen uit België en Frankrijk. Bij die zaken werd bepaald: wanneer het bedrijf handelt op basis van een eigen vastgestelde richtlijn, waarin de neutraliteit van werknemers expliciet is opgenomen, mag een werkneemster die haar hoofddoek weigert af te doen ontslagen worden.

Lees ook: Europees Hof staat hoofddoekverbod op werk toe

Mitsen en maren zijn er overigens wel. Een nationale rechter kan concluderen dat de richtlijn discriminatie indirect in de hand werkt, als in de praktijk blijkt dat mensen met een bepaalde godsdienst worden benadeeld. Bovendien moet in veel gevallen gekeken worden of een gesluierde werkneemster overgeplaatst kan worden naar een andere afdeling, waar ze bijvoorbeeld geen contact met klanten heeft.

In de loop van de week kwamen er verschillende reacties op de uitspraak. Jeroen Temperman, hoofddocent internationaal publieksrecht aan de Erasmus Universiteit, noemde het in de Volkskrant onwenselijk dat het neutraliteitsideaal nu opgerekt wordt naar de private sector. „Dat de staat een seculier imago nastreeft voor publieke functies valt te rechtvaardigen”, zei hij. Maar: „We leven in een pluralistische samenleving, waarin het logisch is dat bedrijven de maatschappij weerspiegelen.”

Het Europese Netwerk tegen Racisme vindt de uitspraak onaanvaardbaar: „De uitspraak negeert de talloze belemmeringen op de arbeidsmarkt waarmee moslimvrouwen in Europa toch al te maken hebben.” De uitspraak van het Hof geldt als jurisprudentie voor rechters in Nederland.

Fitria Jelyta (26), redacteur bij DuurzaamBedrijfsleven.nl

Foto Bram Budel

„Al vanaf mijn negentiende wilde ik graag een hoofddoek dragen, maar mijn vader was fel tegen – hij was ervan overtuigd dat ik met een hoofddoek nooit een baan zou vinden. Hij dreigde me zelfs het huis uit te zetten, als ik er toch een zou dragen.

„Uiteindelijk besloot ik twee jaar geleden toch een hoofddoek op te doen. Ik werkte op dat moment als verkoopster in de Bijenkorf, waar ik werd overgeplaatst naar een merk dat er geen moeite mee had. Klanten zeiden weleens: ‘Wat goed, dat de Bijenkorf jullie ook in dienst neemt!’ Dat nam ik dan maar als een compliment.

„Wel begrijp ik nu beter waar de zorg van mijn vader vandaan kwam. Tijdens mijn stage bij Philips, waar ik na mijn master communicatie en informatiewetenschappen aan de slag ging, zei een collega eens: ‘Jij kunt zo veel bereiken. Maar door jezelf als moslima neer te zetten, schep je toch een afstand.’

„Mijn motivatie een hoofddoek te dragen is mijn identiteit: het hoort bij mij. Ik ben dan misschien wel Indonesische, maar als het gaat om mijn keuzevrijheid ben ik heel Nederlands. Ik voel me daarin beperkt als ik me aanpas aan de kortzichtigheid van anderen. Die kracht probeer ik nu uit te stralen, ik zórg wel dat mensen me mogen. Ik wil laten zien: mijn hoofddoek doet er niet toe.

„De uitspraak van het Europees Hof vond ik in eerste instantie heel jammer: een verbod ontneemt mensen de kans de vrouw achter de hoofddoek te leren kennen. Maar aan de andere kant weten moslima’s zo wel beter waar ze aan toe zijn. Tijdens sollicitatiegesprekken vroeg ik vaak: ‘Hebben jullie er moeite mee als ik een hoofddoek draag?’ Dat werd dan heel ongemakkelijk gevonden, werkgevers hadden meestal geen idee wat hun standpunten waren. Misschien helpt deze uitspraak bedrijven een duidelijker beleid te voeren.”

Oumaima el Ghoulbzouri (19), student politicologie

Foto Bram Budel

„Ik draag mijn hoofddoek nu drie jaar, vanaf mijn zestiende. Ik heb het geloof altijd van huis uit meegekregen, maar was er tot mijn vijftiende niet zo bewust mee bezig.

„Een jaar heb ik er uiteindelijk over nagedacht, of ik een hoofddoek moest gaan dragen of niet. Ik wilde in die tijd nog rechten studeren, zou ik dan wel rechter kunnen worden? Ook hoorde je allerlei verhalen van vrouwen die niet aangenomen werden vanwege hun hoofddoek, of leerlingen die geen stageplek konden vinden. Dat schrok me wel af. Maar uiteindelijk besloot ik: dit is míjn keuze, dit hoort bij mij. Oumaima blijft Oumaima – met of zonder hoofddoek.

„In de lunchroom in Amsterdam waar ik op dat moment werkte heb ik het heel voorzichtig gebracht. Ik vond dat ik iedereen erop moest voorbereiden. Mijn werkgever zei: ‘Daar zullen de mensen wel aan moeten wennen.’ We hadden veel vaste klanten. Ook wist hij niet of het wel goed voor de verkoopcijfers zou zijn.

„Achteraf denk ik: ik had mijn hoofddoek helemaal nooit aan moeten kondigen, ik had hem gewoon op moeten doen. Want toen het eenmaal zo ver was, had geen klant er problemen mee. Mijn werkgever heb ik er ook nooit meer over gehoord.

„Bij het lezen van de berichten over de uitspraak van het Europees Hof schrok ik heel erg. Vrouwen die twijfelen, net als ik op mijn vijftiende deed, zullen zich nu nog minder gesteund voelen. En ook werkgevers die er al mee worstelden, zullen nu misschien sneller denken: ‘Zie je wel, zo gek is het niet dit te verbieden.’ Ik geloof heel sterk dat je moet uitstralen dat het geen verschil maakt, die hoofddoek. Dat het gaat om jou. Daar helpt zo’n uitspraak niet bij – dit werkt de acceptatie van gesluierde werknemers alleen maar tegen.”

    • Anne Corré