‘Het is zwaar om kunstenaar te zijn in Afrika’

Kunst Zakenman Robert Devereux (61) verkocht in 2010 een groot deel van zijn collectie Britse naoorlogse kunst. Met de opbrengst steunt hij nu Afrikaanse kunstenaars.

Robert Devereux.

Het is geen voor de hand liggende keuze, voor een geslaagde zakenman van veertig, om een ‘tussenjaar’ in te lassen en te gaan backpacken in Afrika. Dat doe je als je twintig bent, maar niet als je directeur bent van de Virgin Entertainment Group en leiding geeft aan honderden bioscopen en platenzaken, een uitgeverij, een radiostation en een tv-productiebedrijf.

Toch zegde de Britse entrepreneur Robert Devereux (1955) in 1996 zijn luxeleven vaarwel om naar Afrika te gaan. Hij had zojuist zijn partnerschap in het Virgin-imperium van zijn zwager Richard Branson verkocht. Hij had geld genoeg om business class de wereld rond te reizen, maar hij koos ervoor met een rugzak naar Heathrow te vertrekken, zonder ticket en met een budget van 20 dollar per dag. „Ik wilde weer reizen zoals ik in mijn studententijd had gedaan”, vertelt Devereux, een fit ogende zestiger in spijkerbroek en roze bloemetjesbloes. „Ik was benieuwd of ik dat nog kon. Mijn plan was om de eerste vlucht naar een Afrikaanse bestemming te nemen. Dat werd Maputo in Mozambique.”

In zes weken tijd reisde hij langs de kust omhoog, richting Kenia. Hij sliep in hostels, at in lokale eetcafés, reisde met het openbaar vervoer en ontmoette plaatselijke kunstenaars. Devereux: „Het bleek een bepalende reis te zijn, die mijn liefde voor Afrika sterk heeft aangewakkerd. Ik was daar als zakenman wel geweest, ik had er safari’s gedaan. Nu wilde ik proberen om meer te zijn dan een toerist. Op welke plek ik ook kwam, ik zocht steeds de wijk op waar de kunstenaars zaten. Dat is vaak het interessantste deel van een stad.”

Die reis, nu ruim twintig jaar geleden, heeft het leven van Devereux danig op zijn kop gezet. Hij kocht een huis in Kenia, richtte een stichting op om Afrikaanse kunstenaars te steunen (The African Arts Trust), startte een bosbouwbedrijf dat inmiddels 40 miljoen bomen heeft geplant in landen als Rwanda, Tanzania en Uganda (The New Forest Company) en hij begon met het verzamelen van Afrikaanse kunst. Die verzameling, de Sina Jina Collection, toont Devereux nu voor het eerst in Downing College in Cambridge, de plek waar hij in de jaren zeventig een studie geschiedenis volgde.

Een kunstliefhebber was Devereux altijd al geweest. Als kind bracht hij de zomervakanties door in Italië en werd hij door zijn ouders meegesleept naar de renaissancekunst in musea en kerken. Via zijn toenmalige echtgenote Vanessa Branson, die in de jaren tachtig een Londense galerie runde, kwam hij in aanraking met hedendaagse kunst. Hij begon met verzamelen, in eerste instantie om de galerie van zijn vrouw te steunen, en bouwde zo in dertig jaar tijd een indrukwekkende collectie naoorlogse Britse kunst op, met zo’n 500 werken van kunstenaars als Frank Auerbach, Anthony Caro, Leon Kossoff en Lucian Freud.

Tweederde van die verzameling, ruim driehonderd kunstwerken, veilde Devereux in 2010 in één klap bij Sotheby’s in Londen. Met de opbrengst, 4,73 miljoen pond, richtte Devereux The African Arts Trust op. Hij was, zo vertelde hij de Britse kranten destijds, daartoe geïnspireerd nadat hij in Harare een kunstenaar ontmoet had wiens vrouw 26 uur moest reizen om aan olieverf te komen.

Financieren van materialen

Nu, in de pas geopende galerie van Downing College, licht Devereux zijn besluit om Afrikaanse kunst te gaan steunen verder toe. „Tijdens mijn reizen naar Afrika had ik gezien dat de kunstinstellingen daar grote moeite hadden om het hoofd boven water te houden. Ik ben nooit gaan verzamelen omdat ik kunst wilde bezitten. Ik deed dat omdat ik kunstenaars wilde steunen. Dus ben ik gaan nadenken hoe ik Afrikaanse kunstenaars het beste zou kunnen helpen. Dat is door middel van het geven van beurzen, en het financieren van projecten, materialen en ateliers.”

Het is overal ter wereld zwaar om kunstenaar te zijn, zegt Devereux. „Maar in Afrika komen daar vaak nog extra problemen bij. Het kunstenaarschap is niet bepaald een bekend of erkend carrièrepad. In gesprekken met kunstenaars hoor ik vaak dat hun familie fel tegen hun beroepskeuze is. Ouders zijn bang dat er geen droog brood in te verdienen is. Om daaruit te ontsnappen, is al moeilijk genoeg.”

Daar komt bij dat de infrastructuur op het gebied van beeldende kunst in Oost-Afrika op zijn zachtst gezegd onderontwikkeld is. Kunstacademies zijn er nauwelijks. „Je hebt opleidingen in Addis Abeba en Nairobi. Maar die laatste is meer een school voor grafische vormgeving. Dus zijn de meeste kunstenaars autodidact.” Hij wijst naar twee grote houtskooltekeningen van Peterson Kamwathi uit Kenia, die achter hem aan de muur hangen. „Peterson had geen echte kunstopleiding gehad, totdat hij in 2010 naar Amsterdam verhuisde omdat hij een residency aan de Rijksakademie kreeg.”

Beeld van The Heong Gallery.

Verzamelaars, curatoren of kunstcritici, je komt ze in Oost-Afrika nauwelijks tegen, zegt Devereux. „Er is geen culturele gemeenschap die kunstenaars ondersteunt. Waar moeten zij hun inspiratie opdoen? Er zijn haast geen musea of galeries voor hedendaagse kunst. Afrika heeft een grote traditie op het gebied van decoratieve kunst. De culturele geschiedenis draait er om traditionele artefacten, zoals maskers, die weer verbonden zijn met religieuze ceremonies. Maar beeldende kunst heeft vaak geen enkel nut. Dat idee van autonome kunst is in grote delen van Afrika nog vrij nieuw.”

Het valt op dat veel Afrikaanse kunstenaars uit de collectie van Devereux goed naar de westerse kunstgeschiedenis hebben gekeken. De zelfportretten van Samuel Fosso uit Kameroen doen met hun verkleedpartijen denken aan het werk van Gillian Wearing of Cindy Sherman. „Veel van deze kunstenaars zijn heel goed onderlegd op het gebied van internationale kunst”, zegt Devereux. „Hoewel ze vaak autodidact zijn, kun je fantastisch met ze discussiëren over de canon van de westerse kunst.”

Van Fosso hangt er een prachtig zelfportret waarop de fotograaf zich heeft geschminkt als de Congolese leider Patrice Lumumba. „Mij deed die foto denken aan het werk van de Britse kunstenaar Gavin Turk, die ook met vermommingen werkt. Maar terwijl Turks werk conceptueel is, maakt Fosso zijn beelden vanuit een politiek oogpunt. Dus de route die ze kiezen, is totaal verschillend. Fosso werkte lange tijd als portretfotograaf in een eenvoudige studio. Ik vraag me af of hij het werk van Turk kent. Of dat hij als kunstenaar zelf een manier heeft gevonden om zijn punt te maken.”

Aankoopcommissie Tate

Als voorzitter van de aankoopcommissie voor Afrikaanse kunst mocht Devereux zich de afgelopen jaren bemoeien met het verzamelbeleid van Tate Modern. Hij zag grote hiaten op het gebied van Afrikaanse kunst. „De Tate heeft geen geografische collecties, maar één grote internationale collectie. En die zit nog vol met dit soort gaten. Dus hebben we verschillende werken van Ibrahim El-Salahi uit Soedan en Zanele Muholi uit Zuid-Afrika gekocht. De Tate is nu extreem politiek correct, op het obsessieve af. Het museum wil absoluut niet het stempel krijgen van ‘white male dominated’. Terwijl het dat natuurlijk wel is, want dat is nu eenmaal het verhaal van westerse kunst.”

Heeft hij het gevoel dat er op dat gebied nu iets aan het veranderen is? Op de Biënnale van Venetië was het aandeel van Afrikaanse kunst afgelopen editie behoorlijk groot. „Ja”, beaamt Devereux. „Het tij is aan het keren. Dat komt doordat er bewuste pogingen worden gedaan om te veranderen. Het verandert, omdat de hele wereld verandert. Wat je ziet, zijn uitingen van onderliggende sociale ontwikkelingen.”

Met verzamelen is Devereux intussen gestopt. Zoals hij ook met al zijn bestuursfuncties gestopt is, niet alleen bij Tate, maar ook als voorzitter van de Londense kunstbeurs Frieze. Hij vertelt dat hij in september 2015 begonnen is aan een nieuwe reis door Afrika, een voettocht dit keer. „In zes maanden tijd heb ik de Rift Valley Walk gelopen, een wandeling van bijna zesduizend kilometer van Beira in Mozambique naar Djibouti, in de Hoorn van Afrika. Zo wilde ik geld ophalen voor de African Arts Trust en voor het project Save the Rhino, waarvan ik patron ben. Een van de doelen van de wandeling was om met een schone lei te kunnen beginnen zodra ik terugkwam. Dus ben ik voor mijn vertrek overal mee gestopt, ook met verzamelen.”

Hij lacht. „Ik had gehoopt dat ik bij terugkomst mijn leven op een andere manier zou kunnen inrichten. Dat is mislukt. Ik zat meteen weer in het ritme van het leven dat ik daarvoor had. Ik heb een half jaar gewandeld om te bedenken hoe het verder moet en ik weet nog steeds niet wat ik wil.”

Hij is nu op een leeftijd gekomen, vindt Devereux, dat hij dat moet gaan beslissen. „Ik heb nu zo’n 700 of 800 werken, Afrikaans en Brits, en ik moet gaan bedenken wat ik daarmee ga doen. Waar ga ik de collectie onderbrengen, aan wie zal ik haar schenken, of moet ik haar toch verkopen? Als ik het werk aan de Tate geef, eindigt het toch maar in het depot. In Afrika zou de collectie echt van waarde kunnen zijn. Alleen heb ik niet genoeg geld om er een museum omheen te bouwen, zoals mijn vriend Jochen Zeitz, die in september zijn eigen museum opent in Kaapstad. Dus ik twijfel nog. Maar zo gaat het bij mij altijd. Ik ben een nogal instinctief persoon. Opeens word ik ’s ochtends wakker en heb ik de oplossing gevonden.”

When the Heavens Meet the Earth. Works from Robert Devereux’s Sina Jina Collection. T/m 21 mei in de Heong Gallery at Downing College, Cambridge. Inl: heonggallery.com

    • Sandra Smallenburg